Het pantser van Er Niet Aan Denken

Carli Biessels en Martijn van der Linden: Juwelen van stras. Lannoo, 96 blz, € 12,95. 10+

Als een meisje ineens wordt opgehaald door een vrouw die zij nog nooit heeft gezien, terwijl ze niet weet waar haar ouders en haar broers zijn, is de kans klein dat ze zomaar meegaat, zonder tranen, zonder vragen. Elske doet dat wel, in Juwelen van stras van Carli Biessels. Ze zou toch geen antwoord hebben gekregen, denkt ze. ‘Het zou gevaarlijk zijn’, ‘Ze zou het heus wel gezegd hebben als het kon.’

Dat klinkt verontrustend wijs – wat Elske ook is. Maar niet vragen is ook een anker, zij hoeft dan niet na te denken over hoe het met haar ouders en broers zou kunnen zijn. Het is oorlog. Elske is joods. De vreemde vrouw zal haar naar een huis vol onderduikers (‘de ooms’) brengen.

In Juwelen van stras, gistermiddag bekroond met de jaarlijkse Woutertje Pieterse Prijs, vertelt Elske over de lange maanden die ze al in het huis heeft doorgebracht. Iedereen is aardig voor haar, ze mag zelfs naar school, maar eenzaamheid en de angst om net als zoveel andere mensen ‘kwijt te raken’ liggen altijd op de loer. Ook Leen en oom Jo-tje, twee onderduikers met wie zij een speciale band had opgebouwd, zijn plotseling vertrokken, al houdt ze met oom Jo-tje een even spannend als ontroerend contact.

Wat is ze klein nog, zien we ook op de ingetogen zwart-wittekeningen van Martijn van der Linden. En toch zegt ze grote dingen als: ‘Er werd nooit gepraat over de mensen die weer weggingen, je zag pas dat ze er niet meer waren als er niet meer voor hen gedekt werd. Dat heeft met de oorlog te maken, dan moet je sommige dingen niet willen weten.’

Biessels schreef een indringend verhaal over de oorlog door de ogen van een kind, en tegelijk is het veel meer. Het gaat over universeler zaken als verlies, vriendschap en identiteit, zonder dat dat wordt benoemd. Het is juist het onnadrukkelijke, het ongezegde, dat Juwelen van stras beklemmend maakt. Dat Elske joods is stipt Biessels alleen even aan: Elske vertelt dat op de kleren die zij meenam naar het huis ‘nog de gele ster’ zit en zij weet dat het gevaarlijk is als de Duitse soldaten op het station dat zouden zien.

Biessels creëerde een intelligent en fantasievol kind dat goed kan observeren en prachtige associaties heeft. Als de ooms over de oorlog praten, doen ze dat ‘met galmende stemmen, alsof er op een orgel gespeeld wordt’. Soms zet Biessels de diepte van Elskes gedachten te zwaar aan: ‘Vandaag klinkt het orgel hevig, de ooms hebben veel te bespreken.’ En over een schilderij: ‘Ik begreep niet hoe iemand kon gaan zitten om een pot met witte cyclamen te schilderen.’

Over haar ouders en broers horen we haar nooit meer, die blijven verstopt onder dat pantser van verstand en Niet Aan Denken. Maar het is overduidelijk wat ze vreest te horen, als de ooms over de oorlog praten. ‘Ze noemen namen van mensen die er niet meer zijn. Eigenlijk wil ik dat niet weten, maar toch blijf ik luisteren.’