Harteloos Nederland

Vanuit New York blijft het een surrealistisch schouwspel: het gekrakeel in Nederland over de verkiezingspamfletten in het Turks. De Amerikaanse Civil Rights Act schrijft voor dat al het verkiezingsmateriaal dat in een kiesdistrict in het Engels beschikbaar is, ook in elke minderheidstaal beschikbaar moet worden gesteld. Van een minderheidstaal is in dit verband al sprake als er meer dan tienduizend burgers zijn die de taal spreken of als het om meer dan 5 procent van alle stemgerechtigden gaat.

Niet dat de burgemeester van New York, Mike Bloomberg, zo’n wettelijk voorschrift nodig heeft. Afgelopen najaar, bij de campagne voor een derde termijn als burgemeester, maakte zijn campagneteam advertenties en folders in maar liefst 65 verschillende talen. Bovendien neemt Bloomberg elke dag een uur Spaanse les omdat Spaanstaligen zo’n belangrijk deel van het electoraat vormen.

Dat Nederlandse banken hun geldautomaten wel uitrusten met instructies in het Frans, Duits en Engels, maar niet met instructies in het Turks of Marokkaans, laat zien hoe klantonvriendelijk de banken zijn. Dat gemeenten, ook de grote steden als Amsterdam en Rotterdam, hun inwoners slechts in het Nederlands en Engels te woord staan toont aan hoe weinig dienstbaar de gemeenten zijn. Zouden Turkse en Marokkaanse migranten nou nooit vragen of klachten over de gemeente hebben? Ter vergelijking, het servicenummer 311 waar je in New York met al je niet-spoedeisende vragen en opmerkingen terecht kunt, is in 170 talen bereikbaar. Dat bellers in nood bij het alarmnummer 112 slechts in twee talen geholpen kunnen worden, namelijk Nederlands en Engels, bewijst hoe harteloos we zijn. Terwijl het technisch vrij eenvoudig moet zijn om een beller door te schakelen naar een keur aan tweetalige telefonisten, laat Nederland zijn migranten liever creperen.*

Het is pijnlijk om te zien hoe weinig concrete ideeën de politieke leiders in Nederland hebben om het integratieprobleem op te lossen. PvdA-leider Wouter Bos klopt zichzelf veel te graag op de borst omdat de werkloosheid in Nederland tot de laagste van Europa zou behoren. Dat voert hij dan meteen als bewijs aan dat Nederland (lees: Wouter Bos) de financiële crisis zo goed te lijf is gegaan. Maar in werkelijkheid zijn in Nederland momenteel zo’n 2 miljoen mensen onder de 65 jaar aangewezen op een uitkering. Dat is bijna 30 procent van de werkzame beroepsbevolking. Het gaat dan niet alleen om uitkeringen uit hoofde van de WW, maar ook om uitkeringen uit hoofde van de WAO, WIA, WAZ, Wajong, Bijstand, Ziektewet, IOAW en IOAZ. Niet toevallig zijn migranten in de meeste van deze uitkeringen flink oververtegenwoordigd.

Volgens de Emancipatienota (2007) is voor 79 procent van de niet-westerse allochtone vrouwen in Nederland de afstand tot de arbeidsmarkt onoverbrugbaar groot. Dan kun je, zoals PVV-leider Geert Wilders ongetwijfeld doet, denken: er is iets mis met die vrouwen. Maar je kunt ook denken: er is iets mis met de Nederlandse arbeidsmarkt. In New York lukt het het overgrote deel van de migrantenvrouwen wel om werk te vinden en economisch zelfstandig te zijn.

Het Nederlandse brutominimumloon is, op dat van Luxemburg na, het hoogste van heel Europa (en dus het hoogste ter wereld). Daar komt in Nederland, naast andere werkgeverslasten, ook nog eens de wettelijke loondoorbetalingsverplichting bij. Als een werknemer ziek wordt, moet de werkgever hem (of haar) 70 procent van zijn loon, maar ten minste het wettelijk minimumloon, doorbetalen gedurende de looptijd van het contract met een maximum van twee jaar. De maatregel die bedoeld is om het ziekteverzuim in Nederland terug te dringen brengt een aanzienlijk risico mee voor kleine werkgevers. Voor de werkgever die dat risico wil afdekken, stijgen de loonkosten nog eens met een kleine 100 euro per maand.

De inmiddels afgetreden SP-leider Agnes Kant vertelde afgelopen week in een verkiezingsdebat over een vrouw die in de Haagse Schilderswijk woont en dolgraag wil integreren, maar nooit een autochtone Nederlander tegenkomt. Ze woont in een zwarte wijk, haar kinderen gaan naar een zwarte school en op de arbeidsmarkt is geen plaats voor haar. Wat haar rest is een uitkering. Hoeveel beter zou deze vrouw, en haar kinderen, niet af zijn geweest als ze werk had gehad, bijvoorbeeld in een nagelstudio in de Bezuidenhout in Den Haag.

Het 85 appartementen tellende gebouw in New York waar ik woon heeft zes mensen fulltime en één iemand parttime in dienst. Op een willekeurige dag werken er zeker 30 nanny’s. Koeriers rijden af en aan, er is een Starbucks op de hoek van de straat, er zijn twee stomerijen en natuurlijk de onvermijdelijke nagelstudio. Op de een of andere manier blijf ik denken dat als Nederland een beetje meer op New York had geleken, de PVV in Almere niet zo’n eclatante overwinning had behaald.

*Zowel het servicenummer 311 als het alarmnummer 911 in New York maakt – behalve van de eigen tweetalige telefonisten – gebruik van de diensten van Language Line, een organisatie die in Londen is gevestigd. Language Line is in april 1990 als een liefdadigheidsproject gestart door Michael Young, omdat hij iets wilde doen aan de uitsluiting die etnische minderheden ervaren als ze toegang proberen te krijgen tot publieke diensten. Language Line verzorgt de vertaling van telefoongesprekken in meer dan 170 talen, 24 uur per dag, zeven dagen per week.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/mees