Geluk is slechte kopij

In het werkelijke leven mag opgroeien vaak een feest zijn – grotere vrijheid, betere seks, meer geld, minder jeugdpuistjes – in de literatuur is het de hel. Maar de lezer heeft daar geen last van. Integendeel.

Pip uit Great Expectations tekening: Marcus Stone

‘Bittere herinneringen! Vernietigde verwachtingen.’ Weinig vertwijfelde uitroepen zijn zó hartverscheurend als die van François Seurel in Het grote avontuur, de bijna honderd jaar oude roman van het Franse loopgraafslachtoffer Alain- Fournier. François is niet eens oud, maar zijn mooiste jaren liggen achter hem – ergens in de tijd dat hij bevriend was met Augustin Meaulnes, een ondernemende jongen die het suffe dorpje waarin hij woonde ‘in heftige beroering’ bracht. Sinds le grand Meaulnes uit het dorp verdween, is François’ bestaan weer dof en rest alleen het stof van ‘vervlogen tijd, vervlogen geluk’. Hij bevindt zich in precies dezelfde situatie als zijn Nederlandse pendant (toevallig ook Frans geheten) aan het eind van Joe Speedboot; eveneens een klassiek boek over jeugdvriendschap en opgroeien tegen wil en dank.

Bittere herinneringen en vernietigde verwachtingen – dat is de stof waaruit de meeste Bildungsromans in de wereldliteratuur zijn opgetrokken. Denk aan Brideshead Revisited van Evelyn Waugh, waarin de hoofdpersoon een leven lang probeert om de scherven van zijn gelukkige studententijd aan elkaar te lijmen. Aan Karakter van Bordewijk, dat laat zien hoe Jacob Katadreuffe niet alleen zijn onmenselijke vader, maar ook zijn koppige moeder en zijn eigen blinde ambitie de schuld moet geven van zijn mislukte bestaan. Aan A Portrait of the Artist as a Young Man van James Joyce, waarin Stephen Dedalus zich afkeert van zijn jeugd, zijn geloof en zijn vaderland om te beginnen aan een leven van ‘silence, exile and cunning’. En natuurlijk aan Great Expectations van Charles Dickens, het ultieme ontwikkelingsfeuilleton waarvan honderdvijftig jaar geleden het eerste deel verscheen.

In Great Expectations, dat niet toevallig deze maand in een luxe uitgegeven Nederlandse vertaling van Eugène Dakekaussen en Tilly Maters wordt heruitgebracht (Athenaeum-Polak & Van Gennep, €29,95), volgen we de weesjongen Philip Pirrip, bijgenaamd Pip, in de jaren nadat hij de misdadiger op het kerkhof in een opwelling van menslievendheid van eten en drinken heeft voorzien. Zijn ongelukkige leventje in het huishouden van zijn oudere zuster en haar man Joe neemt tot twee keer toe een hoopvolle wending. Allereerst wanneer hij wordt uitgenodigd in het landhuis van de eigenaardige Miss Havisham, een oude vrouw die in de steek is gelaten op de dag van haar bruiloft. In het spookachtige Satis House, waar alle klokken op twintig voor negen staan en Miss Havisham leeft te midden van de vergane overblijfselen van haar gefnuikte trouwdiner, ontmoet Pip Estella, een beeldschoon meisje dat door de wraakzuchtige Miss Havisham blijkt te zijn geprogrammeerd om mannen te vernederen.

De échte ‘grote verwachtingen’ komen als op een dag een advocaat arriveert bij de smidse van Joe waar Pip in de leer is. Een anonieme weldoener stelt geld beschikbaar om Pip te veranderen in een heer, iets waar Pip al zijn hele leven naar haakt. Maar onder de hoede van een tutor in Londen valt het hem niet mee om zijn nieuwe status te verenigen met trouw aan de mensen die hij in zijn dorpje aan de Theems heeft achtergelaten. Pip wordt een onaangename jongen en het is alleen aan een loutering door ziekte en armoede (en onverwacht inzicht in de ware identiteit van zijn geheimzinnige weldoener) te danken dat hij uitgroeit tot een evenwichtige en sympathieke persoonlijkheid – zij het een straatarme. Tot en met de laatste alinea blijft het trouwens onduidelijk of hij en Estella elkaar krijgen; Dickens wist het ook niet, hij liet uiteindelijk twee verschillende slotalinea’s na.

Nee, groot worden is niet iets om naar uit te kijken. Voor je het weet ben je, net als Nescio’s ‘titaantjes’, veranderd van woeste hemelbestormer in bekrompen burgermannetje. Of raak je, net als de tante van Huckleberry Finn, onherstelbaar ‘gesiviliseerd’. Of word je van een vrolijke bakvis een moederende huisvrouw à la Joop ter Heul. Of moet je uit verantwoordelijkheidsgevoel de liefde van je leven opgeven, zoals Homer Wells in The Cider House Rules van John Irving. Of, nog erger, bekoop je je grote liefde met de dood, zoals de hoofdpersonen van Het leven uit een dag van A.F.Th. van der Heijden en Die Leiden des jungen Werthers van J.W. von Goethe.

In het werkelijke leven mag opgroeien vaak een feest zijn – grotere vrijheid, betere seks, meer geld, minder jeugdpuistjes – in de literatuur is het de hel. Toegegeven, geluk is slechte kopij, maar toch is het opvallend dat er in de wereldliteratuur een kleine minderheid aan gelukkige kinderen en pubers rondloopt: Pippi Langkous natuurlijk, Petit Nicolas, de Kleine Johannes, Augie March (in de roman van Saul Bellow), Woutertje Pieterse en Kees de jongen (al moeten die laatsten nogal wat tegenslagen overwinnen). De meeste andere helden zijn op hun best sadder and wiser wanneer de ochtend van het volwassen leven aanbreekt.

Voor de lezer is dat geen probleem. Het worstelende kind is de basis van honderden, duizenden, misschien wel tienduizenden schitterende romans en verhalen; opgroeien behoort met de liefde, wraak, vriendschap, oorlog, jaloezie, familieverhoudingen en onrecht tot de vruchtbaarste thema’s uit de wereldliteratuur – al was het maar omdat je al die andere thema’s in de meeste ontwikkelingsromans ook tegenkomt. Maar de personages zelf hebben er vaak wél moeite mee. Holden Caulfield uit The Catcher in the Rye doet er alles aan om weg te blijven van alle phoniness die hij met ouderen associeert. ‘Oskarchen’ uit Die Blechtrommel weigert als een Peter Pan from hell om op te groeien, uit protest tegen de hypocrisie en smerigheid van de volwassen wereld. Zijn actie lijkt op die van het jochie uit De baron in de bomen van Italo Calvino dat op een dag in een boom klimt en de geschiedenis rustig aan zich voorbij laat gaan.

De mooiste remedie tegen het ouder worden staat in hoofdstuk twaalf van deel drie van Astrid Lindgrens Pippi Langkous. Pippi en haar twee buurkinderen zijn teruggekomen uit Taka-Tukaland en halen in Villa Kakelbont hun nét gemiste kerstfeest in. Er is sneeuw, er is een kerstboom met zeventien kaarsjes, er zijn cadeautjes voor Tommy en Anneke; er heerst een gelukzalige stemming. En dan verzucht Tommy: ‘Ik wil nooit groot worden.’ Gelijk heb je, zegt Pippi, want wie wil er nu ‘vervelend werk en gekke kleren en inkomenbelasting’. Maar gelukkig heeft ze een oplossing: indiaanse wonderpilletjes die precies op groene erwten lijken. Je moet ze in het donker opeten en zeggen:

Lief klein pilletje peperneut,

ik wil nimmer worden greut.

Zo gezegd, zo gedaan. Tommy, Anneke en Pippi slikken de pillen en zeggen de juiste woorden (niet ‘groot’, want dan ga je zó groeien ‘dat je er de kippeschrik van kreeg’). Ze hoeven niet groot te worden. Of zoals er staat in de vertaling van Rita Verschuur: ‘Er zouden nieuwe lentes en zomers en nieuwe herfsten en winters komen en zij zouden altijd spelletjes kunnen blijven spelen. [...] Als het voorjaar werd, zouden ze in de holle eik klimmen waar limonade groeide, zij zouden dingenzoeker spelen en ze zouden op Pippi’s paard rijden [...] maar ze zouden altijd in Villa Kakelbont terugkomen. Ja, dat was een wonderlijke, troostende gedachte – Pippi zou voor altijd in Villa Kakelbont blijven wonen.’

Cynici zullen zeggen dat zo’n wonderpilletje niet bestaat, en dat Vadertje Tijd korte metten maakt met dit soort naïeve kinderen. Maar de cynici hebben ongelijk. Als er drie personages al 65 jaar lang geen spat ouder zijn geworden, dan zijn het Tommy, Anneke en Pippi.

Geef mij zo’n pilletje.

Ter gelegenheid van de Boekenweek verschijnt van Pieter Steinz: Grote verwachtingen – Opgroeien in de letteren in 25 schema’s (Prometheus, 120 blz. € 9,95), waarin de meeste van de hierboven genoemde boeken uitgebreid besproken en in het ‘web van de wereldliteratuur’ geplaatst worden. Van het gidsje is ook een luisterboekversie verschenen (Rubinstein, 2 cd’s, €12,95) met literaire fragmenten, gelezen door o.a. Dieuwertje Blok, Job Cohen, Hella Haasse en Jeroen Willems.