Geen eten: oké. Maar waar is de stront?

Waar is de stront? Als je Johan Simons iets kan verwijten dan is het dat hij in zijn toneelversie van de film La Grande Bouffe, over vier heren die zich dood eten, niet ver genoeg is gegaan. Oké, hij liet zijn acteurs niets eten op het toneel. Dat was teleurstellend, maar goed te verdedigen als een keuze voor abstractie. In plaats van een realistische schranspartij koos hij voor buitelende heren tussen enorme hompen nepvlees. Simons wilde geen kopie van de film op toneel, dus zocht hij zijn eigen beeld.

Maar voor de strontscène heeft hij juist niet radicaal genoeg gekozen. In de film stroomt halverwege de wc over. De verdieping loopt onder en de heren trekken zich terug op de slaapkamer, waar ze te dicht op elkaar zitten. Dat is een belangrijk moment. De mannen hebben zich in de villa teruggetrokken om een ongehoorde daad te stellen, die ze van de rest van de wereld scheidt. Dit wordt in deze scène nog scherper aangezet: vier mannen in dat kamertje in een zee van schijt. En dit is waar de heren voor gekomen zijn: voor de poep. Verderf, ondergang.

Wat doet Simons? Hij laat in de rechterhoek van het podium een lullig keukenblokje overstromen. Op rij 7 zijn de uitwerpselen al nauwelijks waarneembaar, laat staan op het tweede balkon. Zo’n radicaal decadent stuk vraagt om een radicale aanpak. Hij had minstens het hele podium onder moeten laten lopen met drek.

La Grande Bouffe, Het huis van de stilte van Pamuk, en vanaf vanavond Grunbergs Tirza: in het theater wemelt het nog steeds van de boek- en filmbewerkingen. Ze geven de theatermakers de vrijheid om te experimenteren met de vertelvorm. Dat ze niet alle informatie in de dialogen hoeven te stoppen, zoals bij klassiek toneel, maar dat ze ook beschrijvingen, verhalende passages en gedachtes kunnen invoegen, zoals in boek en film. In La Grande Bouffe zijn de dames, die in de film een bijrol hebben, onze vertellers. Het geeft de toneelversie een eigen kleur.

In Het huis van de stilte, van het Onafhankelijk Toneel, naar een roman van Orhan Pamuk, wringt het tussen gespeelde scènes en uitgesproken gedachtes, tussen contemplatie en handeling. Regisseur Mirjam Koen maakt op zich een helder onderscheid tussen die twee door de gedachtes door een zendmicrofoon te laten klinken. De gedachtes hebben echter te zeer de overhand, waardoor de voorstelling statisch wordt. De gespeelde scènes zijn weliswaar lekker dynamisch, maar ze zijn dramatisch veel minder interessant dan de gedachtes. Er zijn dus tegelijkertijd te veel én te weinig monologues intérieurs. Koen heeft in ieder geval niet radicaal genoeg gekozen.

Een roman biedt namelijk te veel, en een filmscript te weinig materiaal voor een toneelstuk. Als een filmbewerking teveel op het script leunt, kan ze daardoor leeg overkomen, zoals Drei Farben, ook van Johan Simons. Het kan ook juist ruimte bieden voor een eigen inbreng, zoals in La Grande Bouffe. Als een boekbewerking teveel op de roman leunt, wordt ze te vol. Dat is bij Koen het geval.