Feit of fictie

Ryszard Kapuscinski, de meest bewonderde reporter van de vorige eeuw, ontmaskerd als bedrieger – dat was even schrikken voor de liefhebbers van zijn boeken, onder wie ik.

Maar was het wel zo erg?

Zijn ‘ontmaskeraar’ en biograaf, de Poolse journalist Artur Domoslawski, blijft het werk van Kapuscinski prachtig vinden, maar het hoort volgens hem thuis in het domein van de fictie, niet van de feiten. Hij schijnt in zijn biografie aan te tonen dat Kapuscinski, ook in zijn als meesterwerk bejubelde De Keizer, veel aandikt en verzint.

Hoe je het ook beziet, dat is een ernstige beschuldiging aan het adres van een auteur, die zelf soms klaagde over de fabels en leugens die de pers kon opdissen. Ik keek ervan op, al had ik al eens eerder een signaal gekregen: een ingewijde lezer die me er enkele jaren geleden op wees dat allerlei zaken in De Keizer, het boek over keizer Haile Selassie van Ethiopië, niet klopten.

Ook het online-tijdschrift Slate, merk ik nu, schreef al kort na de dood van Kapuscinski in 2007 dat zijn werk in feitelijk opzicht vaak onbetrouwbaar was. Degene die dat beweerde, de perscriticus Jack Shafer, vroeg zich af of Kapuscinski’s handelwijze in de kern niet net zo laakbaar was als het bedrog van journalisten als Stephen Glass en James Frey die het middelpunt waren van grote persschandalen.

Kapuscinski schreef veel beter dan deze minder gereputeerde collega’s, maar ontsloeg hem dat van de plicht zich aan de feiten te houden zolang hij zich voor reporter uitgaf? Daar heeft Shafer een punt, vrees ik.

Temeer omdat Kapuscinski bij mijn weten nergens gesuggereerd heeft dat wij zijn fraaie verhalen met al die pregnante details hier en daar maar met een korrel zout moesten nemen.

Ik heb er geen moeite mee als auteurs hun verhalen omwille van het literaire effect verdraaien en verfraaien, maar laat dan die journalistieke aspiratie varen en noem het geen non-fictie meer. We hebben daar andere benamingen voor: fictie, literatuur, bellettrie. Waarna we Kapuscinski in de boekenkast achter Kafka kunnen zetten – ook een eervolle plek.

Kapuscinski heeft beroemde voorgangers, ik weet het.

Ook het werkelijkheidsgehalte van een aantal journalistieke geschriften van George Orwell is dubieus. Diens biograaf Bernard Crick stelde vast dat journalistiek uitziende teksten als A Hanging (over een executie), Shooting an Elephant en Down and Out in Paris and London een combinatie van feiten en verzinsels zijn.

Ik had al die teksten prachtig gevonden en ik herinner me dat ik stevig moest slikken toen ik dit bij Crick las.

Misschien komt dat vooral doordat andere auteurs, zoals Truman Capote, V.S. Naipaul en Norman Mailer hebben bewezen dat zulke journalistiek-literaire manipulaties niet strikt nodig zijn om een indrukwekkend feitelijk relaas te schrijven.

Onlangs publiceerde Gerard van Westerloo een voortreffelijk journalistiek boek over seksueel misbruik door een katholieke geestelijke: De pater en het meisje. Stel nu dat we over een aantal jaren tot de ontdekking komen dat die ‘pater Frits’ helemaal niet bestaan heeft, maar samengesteld is uit een aantal misbruikende paters. Dat zou me tegenvallen.

Maar we kunnen gerust zijn: pater Frits bestaat, want hij is al geschorst. Hij heet ook echt Frits, helaas.