Een sociale revolutie dankzij C&A

Hoe ‘boring’ was ‘Britain’ in de jaren vijftig? Historicus David Kynaston schetst met behulp van dagboeken een beeld van het gezinsleven in naoorlogs Engeland. Berichten uit een saai, pragmatisch land.

David Kynaston: Family Britain, 1951-1957. Tweede deel van Tales of a New Jerusalem. Bloomsbury, 784 blz. € 35,-.

‘Engeland: het beschaafdste land op aarde, en het saaiste’, schrijft Hannah Arendt in 1953 vanuit Manchester. Met bewondering bericht ze over de ingetogen manier waarop de Britten leven in een land dat ‘lijkt te zijn opgetrokken uit steenkool’. Haar observaties sluiten aan bij het beeld van de jaren vijftig als de Middeleeuwen van de moderne geschiedenis, als een rookpauze tussen de Tweede Wereldoorlog en de speelse jaren zestig.

De Britse historicus David Kynaston moet even met de gedachten hebben gespeeld om zijn boek over de jaren vijftig Boring Britain te noemen, in plaats van Family Britain. Bij nader inzien zou het echter geen recht hebben gedaan aan de levendige inhoud van het tweede deel van Tales of a New Jerusalem, zijn trilogie over het Verenigd Koninkrijk tussen 1945 en 1979. Na de duisternis van Austerity Britain 1945-1951 breekt nu een tijd aan waarin mensen zich gaan vermaken, de voedselbonnen in vlammen opgaan (samen met de identiteitskaarten) en het eerste Indiase restaurant zijn deuren opent.

Na een anekdote over de koning – hoe Brits! – begint het boek met The Festival of Britain van 1951, toevallig het geboortejaar van de auteur. Daar kunnen families een glimp opvangen van het leven in ‘het nieuwe Jeruzalem’ zoals beloofd, met een wenk naar William Blake, door de socialistische premier Clement Attlee. Kynaston laat bezoekers zelf het verhaal vertellen aan de hand van hun dagboekaantekeningen. Zo koestert huisvrouw Vere Hodgson gemengde gevoelens. De stalen stoelen vindt ze niets, maar alles wat oud is en doet denken aan de beste eigenschappen van de Britten (‘koppigheid en voorstellingsvermogen’) roept waardering op, zoals ’s lands wapen The Lion and the Unicorn en Magna Carta. Ze besluit haar dagboekverslag met de opmerking ‘I got a cup of tea and a roll and butter for 6½d. Good.’

Daarmee heeft Kynaston de toon gezet voor de rest van zijn reis door de nevelen van smog en sigarettenrook. Naast krantenknipsels (van The Times tot schoolkranten), East End-studies van de socioloog Michael Young en jeugdherinneringen van bekende Britten (Michael Palin, Christine Keeler, Mick Jagger, John Peel), schetst hij een beeld van het dagelijkse leven. Kynaston maakt gebruik van het Mass-Observation-archief, bestaande uit aantekeningen van vijfhonderd vrijwilligers die hun landgenoten indertijd observeerden. Daarnaast citeert hij uit dagboeken. Aan de hand van commentaren op actuele zaken ontstaat een beeld van een instinctief-conservatief volk dat gebeurtenissen op pragmatische wijze benadert.

Officier

De vrouwelijke helft van de bevolking blijkt sympathie te tonen voor prinses Margaret die moet kiezen tussen haar koninklijke plicht of liefde voor een gescheiden officier. Ook Ruth Ellis, de laatste vrouw die ter dood is veroordeeld, krijgt medeleven, alhoewel er aanmerkingen zijn op haar losbandige leefwijze. Een van de mooiste fragmenten gaat over een jongeman die tijdens de Watersnoodramp in het stijgende water voor de spiegel controleert of zijn crickettrui wel goed zit. ‘Als ik verdrink, dan wel fatsoenlijk gekleed’, overweegt hij, terwijl zijn vader graait naar sigaretten, rum en speelkaarten.

Stilistisch hoogtepunt is de manier waarop gemeenteambtenaar Anthony Heap zijn verslag over Waiting for Godot afsluit: ‘This obscure, verbose, unintelligible, and utterly infantile brainchild of James Joyce’s secretary Samuel Beckett, concerning the wearisome waiting of a couple of dreary decayed tramps for a never-appearing GODot is, in fact, as pretentious and preposterous a piece of highbrow-poppycock as ever I’ve had the misfortune to see.’

Samuel Becketts moderne toneelstuk raakt evenwel een belangrijk thema in Family Britain: in stille wanhoop wachten op wat komen gaat. Hoe zal het elizabethiaanse tijdperk eruit gaan zien, vooral voor vrouwen, maar ook voor jongeren? Is de consumptiemaatschappij het beloofde Jeruzalem? De herverkiezing van Winston Churchill (‘Mummy, how could you do-o-o this?’ klaagt de 11-jarige Bruce Chatwin tegen zijn moeder nadat ze een pop van Attlee heeft aangestoken) in 1951 is, naast een mandaat voor melancholie, een motie van wantrouwen tegen het vooruitstrevende ‘establishment’, een uit die tijd stammende term. Dat ondervindt een campagne voerende socialist die belooft op te treden tegen de Duitse herbewapening. Wanneer een vrouw hem vraagt of hij iets kan doen aan het wildplassen in de lift, zegt hij niets te kunnen beloven. ‘Als je mensen niet kunt weerhouden van het pissen in de lift, hoe ga je dan de Duitsers stoppen?’ krijgt ze te horen.

De kortsluiting tussen politicus en weifelende burger speelt sterk bij de vraag wat er moet gebeuren met de vervallen arbeiderswijken. Gehecht aan hun buurt (meer dan aan hun buurtgenoten) geven de meeste bewoners, zeker de mannen, de voorkeur aan praktische aanpassingen, zoals een douche en een eigen wc. Bevlogen politici, idealistische bourgeois-denkers en ambtelijke boekhouders daarentegen omarmen de on-Engelse vergezichten van ‘Herr Professor-Doktor’ Nikolaus Pevsner en Le Corbusier, voor wie het proto-Ikeaanse soft-modernisme op The Festival of Britain niet ver genoeg was gegaan. Er verrijzen brutalistische nederzettingen met torenhoge ‘woonmachines’, equivalent van de indertijd geïntroduceerde legbatterijen. De modernisten, wier mensenkennis beperkt is, houden geen rekening met het belang van kinderen die in de volksbuurten eindeloos buiten konden spelen. Thuis en op school heersten discipline, maar buiten genoten ze van de vrijheid.

Botervloot

Minder drastisch zijn de nieuwbouwwoningen in ‘subtopia’. Voor veel vrouwen benadert dit de ‘Castle-on-the-Ground’-droom, temeer daar het huis hun domein is. Mannen beschouwen ‘thuis’ eerder als een hotel-restaurant, de plek waar ze woensdagavond de voetbaltoto invullen. De nieuwe huizen zorgen ervoor dat het gehuwde bestaan meer betekenis krijgt dan een regeling met de vindplaats van het huishoudgeld als wekelijks verrassingselement (onder de botervloot!)

Dat heeft niet alleen te maken met de grotere huiskamers en het gebrek aan uitgaansmogelijkheden, maar ook met de opkomst van de televisie, die, anders dan nu, mensen bijeenbrengt. Niet iedereen kan aan de verrekijk wennen. ‘The figures are so tiny’, treurt huisvrouw Gladys Langford na de kroning van Elizabeth II. Bovendien vrezen critici de invloed van nog meer Amerikaanse cultuur, compleet met losbandigheid, normvervaging en geweld.

Kynaston toont knap aan dat zijn landgenoten in dit autoritaire tijdsgewricht met name belangstelling tonen voor de heilige drieëenheid ‘eten, banen en huizen’. C&A en Marks & Spencer dragen, zo meent socioloog Michel Young, meer bij aan de sociale revolutie dan Labour. Typerend is dat Kynastons dagboekaniers de Suez-crisis in 1956 goeddeels negeren. Op de dag waarop Anthony Eden Egypte de oorlog verklaart, moppert Godot-hater Anthony Heap over de felgele natriumlampen die steeds meer Londense straten verlichten. Elders in de stad praat rijksambtenaar Henry St John met zijn huisbazin over de beste manier om spek te bakken en in Oxford noteert pastoorsvrouw Madge Martin dat die hele crisis weliswaar naar is ‘maar ik maak me meer zorgen om persoonlijke problemen’.