Een erg klein raadsel

Illustratie Irene Goede NRC / 'Naar de natuur' Goede, Irene

Voorjaar 1989, toen we op insectensafari waren, vertelde Henk Vlug me dat hij in de ban was geraakt van Iphitrachelus lar, een platbuikwesp ter grootte van 1 millimeter. Van dat beestje vond hij alleen maar volwassen exemplaren, nooit larven.

Aanverwante soorten parasiteren op andere insecten, ze leggen hun eitjes in de eieren van galmuggen. Maar Iphitrachelus zat altijd op of bij kleine maagdenpalm en daar kwam niets in de buurt waarop een parasiet zou kunnen parasiteren, niets wat als gastheer zou kunnen dienen. Alsof je een mensenvolkje hebt ontdekt dat zich in stand weet te houden zonder dat er ooit kinderen geboren worden. Dat kón natuurlijk niet.

„Dit houdt me ontzettend bezig”, zei hij, „dit zal me misschien tot het eind van mijn leven achtervolgen.” 21 jaar geleden; Henk was toen 43, en ik ook. Nu dacht ik: ik zal hem eens bellen, eens vragen hoe het ermee staat. „Nog steeds niks”, reageert hij opgeruimd. „Maar ik denk wel dat ik er nu dichtbij zit.”

Het is niet zo dat hij al die tijd niets anders omhanden heeft gehad – hij heeft een bloeiend adviesbureau voor de bestrijding van schadelijke insecten in grasland op poten gezet. Maar het raadsel van Iphitrachelus heeft hem nooit losgelaten. „Soms”, zegt hij, „betrapte ik me erop dat ik er ’s nachts over lag na te denken.”

In bodemmonsters (en niet alleen onder maagdenpalm) trof hij weleens kleine bruine bolletjes aan. Slakke-eieren, dacht hij. Maar die zijn transparant of melkwit. Hij had er al eens een paar opzijgelegd om te zien wat er gebeurde. Er gebeurde niets.

Uiteindelijk bleek zo’n bolletje de zelfvervaardigde behuizing te zijn van het vierde larvenstadium van een schildluis die in Europa alleen uit Polen en Frankrijk bekend was. Heel klein, en dan steekt er, nog veel kleiner, een zuigsnuitje uit om voedsel te onttrekken aan plantenwortels. Dat was bij het opzijleggen uiteraard defect geraakt.

In Amerika, waar ze beter bekend zijn, heten ze groundpearls. En ze hebben precies het formaat (1 millimeter) en de vorm (bijna kogelrond) waar je bij Iphitrachelus naar uitkijkt. Inderdaad, dat heb ik toen onder de microscoop gezien: groeven in het lijf om de poten in weg te vouwen.

Het idee is al met al dat Iphitrachelus een eitje legt op de larve van dat schildluisje voordat die zich begint in te kapselen, zodat er na verloop van tijd geen schildluis maar een platbuikwesp te voorschijn komt.

„Maar gezien heb je het nog niet?” vraag ik.

„Ik moet eens de tijd nemen om een paar honderd van die grondparels open te maken”, zegt Henk.

„En die schildluis, heb je die ooit in volwassen vorm gezien?”

„Nooit. Nee, nooit.”

„Dus straks heb je de larve van de ene soort gevonden en dan moet je op zoek naar de adult van de andere!”

Hij lacht. Het klinkt alsof hij daar nog niet aan gedacht heeft.