De ongelooflijke wreedheid tegen zwemmende medeschepsels

David Vann: Legend of a Suicide. Penguin Books, 228 blz. € 11,-

Geholpen door de wat misleidende flaptekst zal menig lezer denken aan een roman te beginnen over de jonge Roy Fenn, zijn getroebleerde jeugd in de weinig opbeurende omgeving van kleinsteeds Alaska, het falende huwelijk van zijn ouders en de zelfmoord van zijn vader. Die laatste gebeurtenis hangt als een exploderend onweer boven alle gebeurtenissen hier (en, zo moeten we aannemen, over het leven van de auteur zelf: dit is al zijn tweede boek dat totaal door deze traumatiserende gebeurtenis wordt gedomineerd). Maar bij nadere lezing blijkt dat we te maken hebben met vijf verhalen en een novelle die onderling hecht door het bovenstaande zijn verbonden.

De vader van de jonge Amerikaanse auteur David Vann pleegde zelfmoord toen David nog een jongen was, zoals ook de vader van Roy dat doet. Het is fictie, ‘maar gebaseerd op veel dingen die waar zijn’, laat hij in zijn nawoord weten, zoals ‘de scheiding en de zelfmoord die ik mijn leven zo permanent vorm had laten geven.’

In de vijf verhalen en de novelle speelt de vader een centrale rol, soms als herinnering (in Ketchikan), maar meestal als onontkoombare aanwezigheid. En in het tonen van de contouren van zijn persoon is Vann opvallend consistent: een in meer opzichten onhandige en ook onverantwoordelijke man.

In de novelle Sukkwan Island vertrekt hij met Roy naar een onbewoond eiland voor de kust van Alaska om daar een jaar te overleven op, ja wat eigenlijk? Hij heeft nauwelijks voorbereidingen getroffen en denkt te kunnen overleven van wat de natuur hem biedt, maar is daar hopeloos ongeschikt voor. Al op een van de eerste dagen vreet een beer hun hele voorraad op. Het eerste deel van de novelle is dan al van zoveel naderend onheil doortrokken dat het lezen bijna ondraaglijk wordt; en na de als een vuistslag gedoseerde wending halverwege wordt dat alleen maar erger.

Maar de beste verhalen zijn ‘A Legend of Good Men’ (over de parade van mannen die na zijn vaders verdwijning intrekken bij zijn moeder, die zich op haar beurt vastklampt aan de hoop dat ze een artikel over Legoland kan slijten aan Motorland Magazine) en ‘Rhoda’. Beide verhalen doen sterk denken aan het oeuvre van de door Vann bewonderde Tobias Wolff (vader/zoonproblematiek, maar ook puberale kleine criminaliteit) en Richard Ford. Maar Vann biedt de lezer geen moment van soelaas bij het lezen van deze diepe misère, geen ironie, geen relativering. En uiteindelijk is er slechts de hint van een verzoening als hij naast zijn vaders grafsteen zit en zich ‘bijna kan voorstellen dat de vader eindelijk tot leven is gekomen’.

Een deprimerend boek, maar wat een schrijver! Zijn proza is dwingend en beeldend en is prachtig gedoseerd in overeenstemming met de zwaardere en minder dramatische momenten. Wie de beklemmende thematiek weet te verstouwen krijgt ook nog flink wat wreedheid tegen zwemmende medeschepsels voor zijn kiezen. En houd er rekening mee dat u enkele dagen na lezing geen vis zult willen eten.