De legende uitvergroot

Van een onzekere student werd Serge Gainsbourg een flamboyante zanger en rokkenjager. De Franse striptekenaar en regisseur Joann Sfarr houdt in de film over het leven van Gainsbourg de mythe in stand.

Het was voordat Serge Gainsbourg een Franse cultheld werd, een ondergrondse invloed op Britse pop in de jaren negentig, en een expliciet voorbeeld voor veel Franse zangers en een enkele Amerikaanse (Beck, die samenwerkt met dochter Charlotte Gainsbourg).

Voordat Serge Gainsbourg een mythe werd, erkend als de meest sexy chansonnier die Frankrijk vorige eeuw te bieden had – en een van de meest talentrijke dichters.

Lang voordat de liefhebbers de rest van de wereld eraan moesten herinneren dat hij méér te bieden heeft dan zijn mondiale meehijger ‘Je t’aime, moi non plus’. Waarvan iedereen weet dat die eigenlijk geschreven was voor zijn liefje Brigitte Bardot, maar gezongen met zijn volgende liefje Jane Birkin. (Wat te denken van ‘La Javanaise’ bijvoorbeeld, de met ‘b’ allitererende verzen, die uitlopen op het tierelantijnloos melodieuze „nous nous aimions / le temps d’une chanson”.)

Lang voordat een van de productiefste Franse striptekenaars van het moment, de 38-jarige Joann Sfar, een artistieke geloofsbelijdenis maakte van zijn eerste speelfilm, Gainsbourg. Vie Héroïque, die vanaf volgende week in de Nederlandse bioscopen te zien is.

Lang daarvoor, lang voor dit alles, was Serge Gainsbourg (1928-1991) een onzekere, zoekende student beeldende kunst die in het Parijs van net na de oorlog opkeek tegen zijn eigen helden.

Helden als Salvador Dali. In 1947 kampeerde Serge Gainsbourg, toen nog Lucien Ginsburg geheten, enkele dagen clandestien in het Parijse appartement van de kunstenaar. Zijn vriendinnetje Elisabeth, die in de jaren vijftig zijn eerste echtgenote zou worden, had de sleutels bemachtigd als secretaresse van een andere kunstenaar.

In het appartement van Dali nam Gainsbourg in 1947 alle details in zich op. De zwarte muren, de zorgvuldige schikking van de schilderijen, de bibelotjes, de beelden. Alles had zijn plaats. Dali woonde in zijn eigen mythe en Gainsbourg bedreef er de liefde, een kleine week lang.

Het schilderen zou hij kort daarna opgeven. ‘Gainsborough’ de kunstschilder werd een schim, die later in zijn chansons zou opduiken.

Maar dat van die mythe, dat onthield hij. Ginsburg werd Gainsbourg, hulde zich in een wolk van sigarettenrook, dronk, ontlook als pianist in het nachtleven, schreef liedjes om zijn poëtische talent de ruimte te geven, nee, om succes te boeken – nee toch om het poëtisch talent. Tot France Gall in 1965 het Eurovisie Songfestival won met het door hem geschreven ‘Poupée de cire, poupée de son’ en de tegenstelling zich oploste. Gainsbourg werd een don juan, avonturier.

Hij zocht Amerikaanse invloeden, werd rock-’n-roll, maar geen copy-paste, zoals Johnny Halliday. Daarvoor was zijn stijl te trefzeker nonchalant, zijn erotiek te zwoel, zijn taal te dichterlijk en speels. Gainsbourg, zoon van Russisch-Joodse immigranten, was te Frans om niet voort te bouwen op de traditie van het chanson, ook wanneer hij zich waagde aan jazz, rock of reggae.

In de Rue de Verneuil in Parijs verfde Gainsbourg later, toen hij beroemd was, de muren zwart en mochten de dingen niet van hun plaats, net als bij Dali. In zijn chansons komt Dali niet expliciet voor, anders dan andere helden van Gainsbourg, zoals Baudelaire en Nabokov. Maar hij schijnt hem te hebben geïnspireerd met een authentieke grammaticale fout. Van Dali is namelijk de opsomming: Picasso is Spaans, ik ook. Picasso is een genie, ik ook. Picasso is een communist, moi non plus.

In Gainsbourg. Vie Héroïque laat regisseur Joann Sfar Gainsbourg slapen in het appartement van Dali. Maar hij vertelt niet hoezeer Dali Gainsbourg als model diende bij de vorming van zijn eigen mythe, als voorbeeld bij het inrichten van zijn leven als oeuvre, in het gebruik van provocatie als stijl- en promotiemiddel, met media als vehikel.

Dat is interessant, voor een film die Vie Héroïque heet. Een Heldenleven. Dali moet voor Gainsbourg een held zijn geweest, zoals voor Sfar Gainsbourg een held is.

Wat bedoelt Sfar daar eigenlijk mee, heldenleven?

Die term is een beetje merkwaardig, ouderwets. Biopics zijn er in overvloed, en soms zijn de hoofdpersonen inderdaad helden. Mohammed Ali bijvoorbeeld, in Michael Manns Ali, en recenter de homoseksuele politicus Harvey Milk bij Gus Van Sant: films waarin de hoofdpersoon een Werdegang doormaakt die de filmmaker als tragisch én voorbeeldig, dus heldhaftig voorstelt.

Maar heldenlevens heetten die films niet. En dat is gemakkelijk te begrijpen. Die term suggereert immers een kritiekloze hagiografie. Voor je het weet heb je Edith Piaff in La Môme: een film die romantiseert, maar de held niet dichterbij brengt, geen begrip losmaakt, geen verwarring sticht.

Serge Gainsbourg had het gemakkelijk ook zo kunnen vergaan. Zijn cultstatus in Frankrijk maakt hem een willig slachtoffer voor een romantiserend laklaagje. Hij had een marketingheld kunnen worden, zoals Oliver Stone begin jaren negentig van Jim Morrisson maakte in The Doors.

Maar dat is niet bedoeling van Joann Sfar, zegt Joann Sfar. Zijn Gainsbourg is „een sprookje”, schrijft hij in ‘Ceci n’est pas un film’, het voorwoord van Gainsbourg (hors champ), een vuistdik getekend dagboek van Sfars eerste stappen als filmregisseur.

Sfar beschrijft erin hoe hij bij de voorbereiding sprak met Gainsbourgs nazaten, met Jane Birkin, met Charlotte Gainsbourg, die hem vertelden dat de ‘echte’ Gainsbourg heel anders was dan op tv. En dan schrijft hij dit. „Meteen zeg ik tegen mezelf dat wanneer de tv een constructie is, wanneer zijn intieme leven mij niet aangaat, dat ik dan de basis voor poëtische dialoog moet leggen met de enige Gainsbourg op wie ik me legitiem kan beroepen: de kunstenaar. Degene van wie de liedjes mijn grafische en erotische parcours hebben bepaald.”

Het Heldenleven volgens Sfar is dus een „poëtische dialoog” tussen kunstenaars. Een eerbetoon aan een artistieke held, die zijn eigen leven verzon tot een oeuvre. Sfar heeft de consequentie daaruit getrokken. In de film neemt hij van Gainsbourg „al zijn leugens voor waar aan”. De mythe moet niet ontmaskerd worden, zij is het verhaal. Zoals bij een Griekse held. Tegelijk wil Sfar dat we Gainsbourg zien als een archetype met een betekenis die zijn persoonlijke leven overstijgt. „Het bevalt me wat hij over Frankrijk zegt, over de moderniteit, over seks”.

In feite blaast Sfar een in vergetelheid geraakt genre nieuw leven in. In Frankrijk is het ruim een eeuw geleden dat het heldenleven aan een opmars begon. In 1903 wierp de jonge romanschrijver, theaterauteur en musicoloog Romain Rolland zich op als voortrekker van de biografie als – geschreven – vie héroïque. Zijn Vie de Beethoven moest het model worden voor een serie illustere levens waarin heroïsche krachten voor een groot publiek toegankelijk moesten worden gemaakt, om troost te bieden en als voorbeeld te dienen. Een held is geen genie, vond Rolland, want genieën zijn onbevattelijk voor gewone stervelingen. Hij beschrijft even compact als begrijpelijk Beethovens liefdeskwellingen, de gevechten die hij als componist met zichzelf leverde om iets te produceren. De „heldhaftige kracht” Beethoven is „de beste vriend van al degenen die lijden en vechten.”

Romain Rolland, die in 1917 de Nobelprijs voor Literatuur ontving, maakte school. Zijn biografieën van onder anderen Michelangelo, Tolstoj en Gandhi, vonden een aanzienlijk publiek in West-Europa, zijn (helden-)roman fleuve Jean-Christophe gold in het interbellum als veelgelezen verbeelding van een Europees cultuurideaal.

Zijn pennevriend Stefan Zweig beschouwde Rolland aanvankelijk als een mentor bij het schrijven van zijn eigen, ook nu nog gelezen, populaire biografieën, van Marie-Antoinette, Tolstoj, en andere historische figuren. In Nederland vond Rolland vooral navolging als communistische fellow-traveller, met heldenlevens van Henriëtte Roland Holst over Garibaldi en Rosa Luxemburg.

Het heldenleven kwam dus in de loop der jaren ten dienste te staan van politieke idealen, en ging daarmee ten onder. De verknoping tussen auteur en onderwerp, die aanvankelijk bij Rolland berustte op een artistiek cultuurideaal, werd ideologisch – behalve bij een psychologisch observator als Zweig, maar die was weer meer geïnteresseerd in politieke figuren dan in kunstenaars.

De film heeft eigen regels voor biografisch heldendom, een eindeloos gevarieerd spectrum van actieheld tot tragische verliezer. Maar het literaire genre van het heldenleven, waarin de held een cultuurideaal van de auteur verbeeldt, lijkt nu vooral, ja, ouderwets eigenlijk.

Sfars film is bekritiseerd als een halve mislukking: sterk begin, maar uiteindelijk is deze biopic toch maar een slap aftreksel van het echte leven van Gainsbourg.

Sfar kan er tegenover stellen dat een heldenleven geen biografische schets is. Of om het minder vriendelijk te zeggen: hij heeft zich tegen kritiek ingedekt door te zeggen dat hij Gainsbourg naar zijn „eigen universum” wil trekken. De Gainsbourg van Sfar wil een archetype zijn, een cultuurideaal. Maar dat betekent – gelukkig – niet meer hetzelfde als in het zwaar idealistische begin van de vorige eeuw.

Wat het wel betekent, wordt al vanaf de eerste minuten in de film duidelijk. Sfar laat het fantasierijke Joodse jongetje Lucien Ginsburg in het begin van de Tweede Wereldoorlog in Parijs achtervolgen door een naziposter van een antisemitische karikatuur. Een gigantisch hoofd met haakneus en flaporen danst met het jongetje door de straten.

De jonge Ginsburg temt zijn monsters in een tekenboek. Droomt als vroege puber van naakte vrouwenmodellen. En als hij opgroeit en in liefdes en ambities verwikkeld raakt, is er altijd zijn alter ego La Gueule, zijn lelijke, diepe ik, dat zich niets van de wereld aantrekt en hem op het compromisloze spoor houdt.

Sfar laat hem moeiteloos door Parijs vliegen, weg van het echtelijke huis, terug naar Juliette Gréco, geheel volgens Gainsbourgs suggestie dat zij een gemankeerde liefde was – voor haar schreef hij ‘La Javanaise’ (nous nous aimions/ le temps d’une chanson).

Dat is het cultuurideaal Serge Gainsbourg: vrijheid, geen compromissen, eindeloze erotische belangstelling, vooral voor de ontluikende vrouw, symbool voor puurheid, het vermogen om land en gezag te weerstaan uit naam van authenticiteit.

De legendes die Gainsbourg over zichzelf vertelde, worden door Sfar nog uitvergroot. In 1942 stond hij in alle vroegte op het politiebureau om als allereerste Joodse Parijzenaar een davidsster op te halen, „Uw ster meneer, niet de mijne”.

Joann Sfar is tekenaar van talrijke en veelvuldig onderscheiden stripseries, waaronder de in Frankrijk populaire serie Le Chat du Rabbin (2002-2006). Dat is een tamelijk beschouwelijke strip over een kat die heeft leren praten nadat hij een papegaai heeft opgegeten en sindsdien met onverwoestbare kwaadwilligheid zijn eigenaar, de rabbijn van Algiers, tegenspreekt. Niettemin probeert hij een gedegen religieuze opleiding te volgen, om in de buurt van de dochter van de rabbijn te mogen blijven. Sfar combineert in de serie zijn religieuze opvoeding en zijn filosofische belangstelling met een voorliefde voor humor en erotiek.

Met Gainsbourg Vie héroïque wilde hij naar eigen zeggen „een overval op de cinema” plegen, door met hoofdrolspeler en theateracteur Eric Elmosnino (frappante gelijkenis met Serge Gainsbourg) de wetten van strip en theater los te laten op de film. De werkelijkheid moet niet worden nagespeeld, maar op afstand worden gehouden.

Zoals Gainsbourg zelf deed, toen hij in de jaren zeventig en tachtig uitgroeide tot een tv-personage, een oervorm van een BF’er. Nog hangt voor veel Fransen om Gainsbourg de rook van het biljet van 500 francs dat hij in 1984 in een rechtstreekse uitzending op tv verbrandde.

Sfar zou willen dat kijkers na Gainsbourg. Vie Héroïque denken: Gainsbourg, wie was dat eigenlijk? Hij houdt ervan zijn personages „van heel hoog naar beneden te halen”, vertelde hij in een van de interviews ter promotie van de film. Hij houdt van het verval, de liederlijkheid, de roem waar Gainsbourg in de jaren tachtig op teerde. „Bijna christusachtig”, noemt hij hem. Zijn tragedie was niet de alcohol of het roken, maar zijn kwetsbaarheid, de maskers waarachter hij zich verschool. Hij was het lelijke jongetje dat zich eindeloos verborg achter vrouwen en melodieën, die opging in rook en zelfmedelijden.

Dus dat is een heldenleven anno 2010. De affiche van de film, met een rokende Elmosnino, werd overigens verboden in de Parijse metro.

‘Gainsbourg. Vie Héroïque’ is vanaf volgende week donderdag te zien in de bioscoop. Zie ook: www.gainsbourg-lefilm.com.

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

De film Gainsbourg. Vie Héroïque gaat niet 11 maart in première, zoals vorige week in het CS werd vermeld, maar donderdag 18 maart.