Dag Franca, velen zullen voor je bidden

Vijfenzeventig auteurs schreven voor de Boekenweek een brief aan zichzelf op jonge leeftijd.

Schrijfster Franca Treur schreef de 76ste brief.

Amsterdam, 5 maart 2010

Dag Franca,

Ja, een brief uit Amsterdam voor jou. Daar kijk je van op, hè? Ik weet het, jullie krijgen meestal alleen enveloppen van de melkfabriek en van de Belastingdienst. En verder natuurlijk rekeningen, die je vader zuchtend achter de radio wegsteekt. Deze brief kun je hem beter maar niet laten lezen. Hij is alleen voor jou bedoeld.

Ik schrijf je om je een beetje voor te bereiden op het leven dat je zult gaan leiden. Op dit moment weet je van toeten noch blazen. En natuurlijk weet je ook nog niet wat je later zult gaan worden. Juf of verpleegster lijken zo’n beetje de opties. Toen er een paar jaar geleden al in de kantlijn van je opstelschrift stond ‘ga je soms later boeken schrijven?’ dacht je: Later? Hoezo later? Het leek je een fluitje van een cent. Je was tenslotte al bijna negen. Je fabriceerde een boekje van papieren die je aan elkaar had geniet. Je schreef. Een familie zat aan tafel en de vader las na het eten uit de bijbel voor. Over Jona die naar Nineveh moest om te prediken, terwijl hij daar geen zin in had, omdat er in Nineveh alleen maar goddeloze mensen woonden. In alle reformatorische kinderboeken die je las, zitten families aan tafel en wordt er uit de bijbel gelezen. Maar je vond er al na drie pagina’s niks meer aan. Je schrijfproject lag alweer op zijn gat. Dat was een goede beslissing van je. Als je je eigen verhaal niet bijzonder vindt, is het niet goed genoeg. Op obligate verhalen zit niemand te wachten en debuteren hoeft niet op je negende.

Je zult het doen op je dertigste. En bij een niet-christelijke uitgeverij. Maar er komt een familie in voor die aan tafel zit rondom de bijbel. Het is voor jou niet voor te stellen dat je ooit ongelovig zult worden. En toch komt er een moment dat je je geen christen meer noemt. En als je zo’n acht jaar later een boek schrijft dat speelt in een bevindelijk-gereformeerde gemeenschap, dan zal heel gelovig Nederland over je heen buitelen met de vraag waar het met jou is misgegaan. Dat is tenminste wat er op dit moment met mij gebeurt. Niet dat ze in mijn boek hebben kunnen lezen dat ik niet meer geloof. Daar staat het nergens. Maar wel in de krant, omdat elke interviewer daarnaar heeft gevraagd. En sindsdien zijn de gelovigen op zoek naar het lek in de reformatorische pijplijn van wieg naar graf, die ze tot voor kort nog waterdicht hadden gewaand.

Dat lek wordt allereerst in mijn opvoeding gezocht. Was er in huize Treur wel sprake van een levend geloof? Of ging het daar alleen maar om de regeltjes, zonder dat men iets van de ware liefde van Christus kende? Ook zoeken ze het bij mijn vroegere reformatorische school. Was ik daar wel genoeg gewaarschuwd voor de gevaren van seculiere literatuur? Je zult merken dat het je in je leven aan waarschuwingen niet zal ontbreken. Bood dan, vraagt men ten slotte wanhopig, de reformatorische studentenvereniging wel genoeg ruimte om twijfels te bespreken en is er toen wel een degelijk bijbels tegengeluid geweest?

Mijn boek en vooral ikzelf zijn onderwerp van discussie geworden, die tot op de dag van vandaag woedt in bezinnende artikelen in kranten, tijdschriften en op www.refoforum.nl. Zelfs de hoofdredacteuren van het Reformatorisch Dagblad en het Nederlands Dagblad vinden dat ze zich er officieel over moeten uitspreken.

Er zijn grofweg twee opvattingen. Het ene kamp schrijft dat ik te veel media-aandacht krijg, waardoor jonge mensen, die nog niet zo stevig in hun schoenen staan, onnodig nieuwsgierig naar me worden. Zoveel aandacht verdient zoals je begrijpt alleen de Heilige Schrift. Het andere kamp vindt dat ik de reformatorische lezers een spiegel voorhoud, waaruit ze kunnen leren dat het nauw luistert met de reformatorische opvoeding. Ze zien mijn boek als kritiek op de cultuur waarin ik ben opgegroeid. Niet op het geloof op zichzelf, want daar is geen kritiek op mogelijk. Ik heb in hun ogen een tijdelijke inzinking, maar ik kan nog worden teruggehaald naar de kudde. God zoekt het verlorene, en ze hopen dat hun reactie daarbij kan helpen. ‘Ik was net als jij’, schrijven ze. ‘Maar toen kwam er een moment in mijn leven dat alle puzzelstukjes op hun plaats vielen en ik dacht: wie ben ik dat God nog naar mij omziet. Zo’n moment wens ik ook jou van harte toe. Vraag er de Heere maar om.’ Of: ‘Soms gaat de grote Herder vrij hardhandig om met die weglopers; houd ook daar rekening mee. Ik houd niet van horror, maar in jouw geval denk ik weleens aan vuur, of water dat door een autoportier naar binnenkomt, of aan de witte lakens van een intensive care bed.’

Tja. Je zou tegen die tijd misschien een leugentje om bestwil moeten overwegen. Of je kunt tegen de journalisten zeggen dat je geloof een privézaak is. Wie weet helpt het, al vrees ik van niet. Ik realiseer me dat ik je schrik heb aangejaagd. Je wilt niet liegen en je wilt al helemaal niet ongelovig worden. Wees gerust, dat zal niet van de ene op de andere dag gebeuren. En als het gebeurt, wordt je leven er alleen maar beter van. Weet je nog dat je als kleuter altijd een dier wilde zijn, omdat dieren niet in de hel kunnen komen? Ik weet dat je dat nog steeds weleens denkt. Hoe opgelucht zul je zijn wanneer blijkt dat de hel een verzinsel van mensen is.

Het is overigens niet zo dat ik op jou, je familie en op alle refo’s neerkijk. Juist niet. Veel van de subcultuur waarin je opgroeit is me heel erg dierbaar, en naar jouw leven kijk ik juist met heimwee terug. Maar ik wens het iedereen toe om af en toe eens van een niet-gelovig perspectief naar de dingen te kijken. Omdat dat bevrijdend is. Het is zonde om je hersenen per testament te vermaken aan de Heere en Zijn dienst. Daar heb je ze namelijk niet voor gekregen.

Ik wens je nog veel confetti op je pad.

Voor de 75ste Boekenweek, die volgende week begint, schreven 75 schrijvers een brief aan hun jongere ik (Titaantjes waren we – schrijvers schrijven zichzelf, CPNB, 300 blz. € 10,-). Franca Treur schreef de 76ste brief. Ze debuteerde in 2009 met het boek Dorsvloer vol confetti.