Broekmeer wacht op drama

Yolanda Entius: De gelukkigen. Querido, 302 blz. € 18,95.

Of ze gebruikmaken van schema’s, willen interviewers nog wel eens van schrijvers weten. Mocht de schrijver in kwestie dat beamen, dan heeft de vragensteller hopelijk nooit doorgehad dat het zo was. Wie bij het lezen van een roman een raamwerk ziet, zal dezelfde ontnuchtering ten deel vallen als wie bij het bekijken van een film een microfoon in beeld ziet bungelen, of bij een poppenspel de draden waarmee de marionetten worden bewogen.

Yolanda Entius (1961) heeft het zichzelf met haar derde roman De gelukkigen lastig gemaakt. Het door haar gecreëerde Broekmeer is qua grootte weliswaar ‘wijk noch dorp’, maar je krijgt het idee dat wel zo ongeveer iedereen uit het gehucht tot Entius’ roman is toegelaten: veel ouders, met nog veel meer kinderen en vervolgens ook nog veel ouders die in stiekem geflikflooi verwikkeld raken en allerlei buitenechtelijk grut op de wereld zetten. Een stamboom, zoals afgedrukt in sommige edities van Gabriel García Márquez’ Honderd jaar eenzaamheid, was geen overbodige luxe geweest.

Heeft Entius de voorliefde voor genealogisch gepuzzel van haar lezers te hoog ingeschat? Dat is niet helemaal het geval, want gek genoeg ‘corrigeert’ ze haar gebrek aan selectiviteit door her en der met biografische informatie te strooien. Tussen haakjes of komma’s staat dan te lezen dat die en die de zoon is van die, die dan weer een zwager is van iemand anders z’n ex. Die delen van de tekst zijn niet alleen een rem op de snelheid en de geloofwaardigheid van de vertelling, ze maken ook de verteller zélf zichtbaar. Je ziet kortom vaak het raster en de intenties van de schrijfster opdoemen.

Het draait in De gelukkigen om de aangekondigde dood van een kind van een van de Broekmeerse ouders. Aangekondigd, aangezien al snel duidelijk is dat een jongetje uit het dorp bij een busongeluk in het buitenland om het leven is gekomen, maar lang onduidelijk blijft van wie hij nu precies een kind is. Vaders en moeders, ‘de gedwongen spelers van een loterij’, verzamelen zich in de plaatselijke sportkantine om af te wachten wie er door het noodlot getroffen zal worden. Het gezelschap bestaat uit knoestige, labiele stellen die bijna zonder uitzondering bij elkaar zijn gebleven ‘om de kinderen’.

Dit speelt allemaal in 2001 en 2002, jaren die met de aanslagen in New York en de opkomst en dood van Pim Fortuyn beladen waren. Dat is het ook in het Broekmeer van Entius. De manier waarop de kentering in de dorpse volksaard behandeld wordt is echter nogal vluchtig, op het nonchalante af. Zo wordt de achterdocht tegen de plaatselijke allochtoon op ietwat gemakzuchtige wijze afgehandeld en komen ook de metafysische bespiegelingen van enkele karakters nogal uit de lucht vallen.

Yolanda Entius heeft te veel in De gelukkigen willen stoppen. Veel karakters en thema’s, maar ook veel drama. De ellende komt met bakken uit de hemel vallen (dood, invaliditeit, gok- en drankverslaving), maar beklijft niet. Als uiteindelijk duidelijk wordt dat brokkenpiloot René zijn verlamming aan een val uit een kermisattractie te danken heeft, moet je eerder lachen dan grienen. De dramatische gegevens moeten het in deze roman doen, waar het de kracht van het geschrevene zelf zou moeten zijn.

Entius kán echter wel schrijven. Zo laat ze in een poëtische, onsentimentele passage over de jeugd van de van haar vervulde Caspar precies weg wat weg kan blijven. Of je treft tussen alle pingpongdialogen van de dorpelingen ineens iets aan als dit: ‘Drie maanden terug heeft ze tijdens het scheren van haar okselhaar een knobbeltje in haar borst ontdekt en nu heeft ze, voor de tijd die haar nog rest misschien, een cameraploeg over de vloer en komt ze in vier delen op tv.’ Of: ‘Op een dag trof Leen haar halflam naast de bank terwijl Adios Nonino op de repeat-stand stond.’ Opeens een paar zinnen waar je van opveert.