Brandend met een hopeloos vuur

Uit zijn nieuwe bundel blijkt onweerlegbaar dat Mark Boog een sublieme koorddanser is op dun naaigaren.

Mark Boog Foto Merlin Daleman Mark Boog Houten, 01-05-06 © Foto Merlin Daleman

Mark Boog: Er moet sprake zijn van een misverstand. Cossee, 92 blz. € 18,90

‘Beweeg je niet, / dat geeft maar kringen in de vijver,’ is een kenmerkende uitspraak in Er moet sprake zijn van een misverstand. Als een opgerolde egel doorziet Mark Boog in zijn zesde bundel het leven, dat zich niet sturen laat. ‘Nou ja, we zien wel,’ zegt de fee naast iedere wieg.‘Ik wil mijn voorspelling / later graag preciezer formuleren.’ En waartoe leidt dat volgens Boog? Tot ‘Wij hebben geleerd ons op ons gemak te voelen, / thuis te zijn, dat wil zeggen: nergens heen te kunnen.’

De defensieve egelhouding is niet nieuw in Boogs oeuvre. In zijn met de Buddingh’-prijs bekroonde debuutbundel Alsof er iets gebeurt (2000) was ‘thuis’ al een baken in het levenslabyrint. En op dat thuis hoef je niet aan te koersen, want je bent ‘erin’ en kunt met een simpel dichtdoen van de gordijnen de werkelijkheid buitensluiten, zoals de egel dat met een halve koprol doet.

‘Thuis’ was ook een reisdoel in Boogs gedichtendagbundel Alle dagen zijn van liefde (2008). ‘Hier ben ik en hier blijf ik,’ meldde het laatste vers in die kleine verrassende reeks. ‘Op ieder gewenst moment af te halen, vuilniszak, / aan de kant van de weg op een doordeweekse morgen, // volmaakt op zijn onooglijke plaats, misschien gelukkig.’

Stilstand en inertie voeren van meet af aan de boventoon in de poëzie van Boog, en ook weer in Er moet sprake zijn van een misverstand. In mijn bespreking van zijn debuutbundel concludeerde ik dat de dichter op een flinterdun koord balanceerde. Verveling en falen kregen prachtige woorden, maar voor een tweede bundel leek de thematiek mij te smal. Die conclusie mag ik nu terugnemen. Mark Boog blijkt tien jaar later een sublieme koorddanser op dun naaigaren. Het eerste vers van zijn nieuwe bundel getuigt daar al van. ‘Mij, schaap’ is de titel.

Mij, schaap, overkomt niets dan wat de herder wil,

Wat het gras wil, de lucht,

Wat de dam en de groene overkant.

En ik tors mijn wol mee of het verlies van wol,

En ik kijk vol overgave uit mijn

Vochtige ogen. Ik ben gelukkig met wat ik heb.

De tijd verstrijkt als gras, door mij,

En elk verzet is hol. De bomen ruisen zinneloos.

Het is verleidelijk om dit gedicht met een calvinistische blik te beschouwen. De gang van het leven is bij Boog echter allerminst voorbestemd, eerder permanent onzeker. Dat de tale Kanaäns in zijn poëzie lijkt door te klinken is misschien evenzeer toeval. Toch is het juist Boogs taalgebruik dat zijn beste verzen hun kracht geeft. Zijn taal is soms koddig statig, vaak filosofisch stellig, en daardoor vol verholen vraagtekens.

Waar die vraagtekens ontbreken slaat het gedicht op hol, of wordt het vaag en onbetekenend. Dat gebeurt in ‘Zoals een paard’. De vergelijking tussen het paard dat onrustig wordt als het de stal ruikt en het geschrevene dat zich in de richting van de lezer haast, blijft steken in het cliché van de telganger. En er zijn wel meer verzen waarin de menselijke onmacht niet trefzeker wordt verwoord. De bundel had best dunner mogen zijn. Maar tegenover die constatering staan sublieme gedichten, zoals ‘Grammatica’, dat na ‘Ik hakkel’ paradoxaal concludeert: ‘Nu kan dit alles mooi lijken, poëzie, / maar dat is het niet. Het is / onvolkomen-, onbeholpenheid.’

Het favoriete vers in Er moet sprake zijn van een misverstand is voor mij ‘Stad, bos’:

De stad is een bos. Hoog in de kruinen

uilen. Zie hun gele, vierkante ogen.

Maar ik bén geen muis. Ik schiet

het struikgewas in, steegje, ril willekeurig.

Uit de gebutste heupfles de laatste slokken,

brandend met een hopeloos vuur. In mij

dooft alles. ‘Op huis aan,’ herhaal ik,

‘op huis.’ Het ruist

in de boomtoppen, ritselt rond mijn voeten,

allerlei onopmerkelijks vindt plaats,

en de avond, de nacht is koud,

koud maar zwart.

Dit gedicht is verhalender dan de rest van de bundel, maar tegelijkertijd vat het Boogs thematiek het toegankelijkst samen.

Toegankelijk omdat we hier niet in de hersenpan van de dichter toeven, maar in een gedroomde natuurlijke ruimte – hoe benard die ook wordt ervaren.

Er moet sprake zijn van een misverstand bestaat uit twee afdelingen. ‘Stad, bos’ is onderdeel van het tweede deel. In zijn aantekeningen achter in de bundel stelt Mark Boog dat die afdeling onvermijdelijk zoiets als een reeks vormt. Over de volgorde van de gedichten in afdeling 1, meldt hij dat daarover is ‘nagedacht’. Dat is een weinig professionele verantwoording. Bij zoveel thematische eenheid lijkt de tweedeling mij onzin.

In feite laten Boogs bundels zich gezamenlijk als één hecht oeuvre lezen. Met prachtige echo’s, zoals ‘Uiterlijk opmerkelijk dit leven. // Iemand zou het moeten vastleggen, / een hond aan een ketting op een foto.’ Deze regels herinneren aan de vuilniszak uit Alle dagen zijn van liefde. En het liefdevolle onvermogen in die gedichtendagbundel krijgt in Boogs nieuwe bundel een ontroerende weerklank in de slotregel van ‘Plan: camouflage’: ‘Wil je, vraag ik, bij me blijven, dan doe ik hetzelfde met jou.’