Bezield door het prille leven

De echte literator vindt inspiratie op het slagveld, in de maatschappij, desnoods in de literatuur zelf, maar niet boven de wieg. En wat levert het op als er dan wél een romanbaby geboren wordt?

Veel kinderen groeien helemaal niet op in de letteren, maar sterven vroeg of blijven eeuwig ongeboren. Wat moet je ook met een levend kind in een roman? Een baby roept al snel associaties op met truttigheid, huiselijkheid en jong geluk. Voortplanting is een zo banaal en alledaags gegeven dat het nauwelijks een literair thema van belang kan zijn. Kenmerkend was de opmerking van Gerrit Komrij in een uitzending van Pauw en Witteman in maart 2009: ‘Literatuur wil toch iets anders dan die zorgjes en die dingen over zwangerschap en plastische chirurgie. Literatuur betekent hoe je in de wereld staat, je reflectie, je perspectief op de wereld, je begeleiden bij hele ernstige vraagstukken’. Zwangerschap is, kortom, geen ernstig vraagstuk en heeft met de wereld niets te maken. De échte literator vindt zijn of haar stof op het slagveld, in de maatschappij, desnoods in de literatuur zelf, maar niet boven de wieg.

Veel kroost zien we inderdaad niet in de Nederlandse literatuur van de 20ste eeuw – weinig dat overleeft in ieder geval. Dode kinderen zijn er wel: denk maar aan romans als Van de koele meren des doods, Herinneringen van een engelbewaarder, Twee vrouwen, De naam van de vader of Allerzielen.

Ook de weinige zwangerschappen in de na-oorlogse roman eindigden dank zij tegenstribbelende vaders veelal in abortus of andere vernietiging. Neem bijvoorbeeld Inni, de held in Nootebooms Rituelen uit 1980. Inni zoekt zijn heil in de ‘rituelen’ van seks, handel en kunst. Daarbij ziet hij over het hoofd dat het vaderschap hem wellicht de zingeving zou kunnen bieden die hij vergeefs zoekt in de wereld die hem als ‘onzin’ voorkomt. Wanneer zijn vriendin zwanger blijkt, geeft Inni in een bijzin het bevel ‘om de toegang tot de wereld, die hemzelf tenslotte ook niet interesseerde, te versperren’. Niet toevallig worden kind en wereld hier in één adem genoemd. Het vaderschap vertegenwoordigt de intrede in de ‘echte’ wereld, een intrede die de literaire personages vaak moeilijk valt.

Kinderen symboliseren van alles in romans, maar toch vooral dat: ze zijn het tegenwicht van wetenschap, kunst en literatuur. Tegenover het goddelijke scheppen van de (mannelijke) auteur staat het natuurlijke baren van de vrouw. In tegenstelling tot de taal, de verf of het steen dat de kunstenaar tot zijn beschikking heeft, bestaat het ‘echte’ kind uit vlees en bloed: het is inmiddels een cliché geworden in de literatuur.

Frans Kellendonk was de eerste die aan dat cliché begon te morrelen, in een tijd waarin, zoals Carel Peeters het stelde, ‘de morele ernst’ weer terugkeerde in de literatuur. Die morele ernst heeft alles te maken met de kinderen die hier worden geboren. Vrouwen zijn bij Kellendonk vrijwel altijd zwanger – zelfs poezen ontkomen er niet aan een nest te werpen. In zijn eerste novelle, Bouwval, maken de mannelijke personages zich druk over de familietraditie die ten einde komt. Moeder is er niet bij omdat ze hoogzwanger thuis zit. Dat lijkt haar buiten het verhaal te plaatsen, maar het tegendeel is het geval. Terwijl de familiegeschiedenis doodloopt vindt de échte geschiedenis, de voortzetting van het geslacht, thuis plaats. Daar heeft moeder het hele verhaal lang in ‘monumentale onbeweeglijkheid’ gezeten met ingezwachtelde benen. Het woord ‘monumentaal’ zegt het al: het zijn niet de bouwers van deze familie die iets weten te maken dat blijvend is, maar de moeders: ‘het waren de vrouwen die het mensengeslacht in stand hielden. De dochters van vrouwen en hun dochters. Een man is maar een nietig wezen bij hen vergeleken’.

Dat is de kern van de zaak bij Kellendonk, die in zijn hele oeuvre worstelt met de kwestie. Biologische voortplanting wordt voorgesteld als een middel om ‘gemeenschap’ te bereiken, maar tegelijk heeft die gemeenschap bezieling nodig. Omgekeerd werkt kunst alleen als ze zich rekenschap geeft van de traditie – het enige echte kunstwerk waar het in Kellendonks roman Mystiek lichaam om gaat is niet voor niets een afbeelding van een levensgrote Maria met kind in een kathedraal. In dat paneeltje komt alles samen: het vrouwelijke baren en het mannelijke scheppen van kathedralen en schilderijen. Biologie en kunst zijn ook hier niet tegengesteld aan elkaar: de traditie heeft beide nodig, al is Kellendonk cynisch over de mogelijkheden van een dergelijke metafysische synthese. Zowel de kunst als de familietraditie zijn uitgehold in deze tijd – en daar zijn we bij de morele ernst. Traditioneel gezien, in de patriarchale verhoudingen, is de baby de voortzetting van de familiegeschiedenis, maar in Mystiek lichaam blijven de familieleden buitengewoon eenzaam en verdoemd achter. Wat overleeft de nogal banale, weldoorvoede wolk van een baby, die niet toevallig Victor heet.

Na Kellendonk zijn de kinderen niet meer weggeweest uit de letteren. Ze maken hun opwachting in romans waarin ze niet alleen overleven, maar ook hun laatste mystieke bijbetekenissen hebben afgeschud. Ze vertegenwoordigen alleen: de roep van het echte leven, van de werkelijkheid. De morele ernst die komt met verantwoordelijkheid.

Overigens zijn het zelden vrouwelijke auteurs die daarover schrijven: juist zij lijken huiverig om hun vingers te branden aan deze materie. Zij kijken wel uit zich te voegen in een lange traditie waarin de baby het clichébeeld is voor ware zingeving, en waarin vrouwen niets anders scheppen dan kinderen.

Het is precies dit cliché dat door mannelijke auteurs weer wordt opgevoerd, alsof het nooit is weggeweest. De auteurs lijken hetzelfde besluit te hebben genomen als criticus Hans Goedkoop, die in Een verhaal dat het leven moet veranderen beschrijft hoe je de pen kan neerleggen om het ‘echte’ leven in te stappen: ‘De computer uit te zetten en de kamer uit te gaan, om een en ander metterdaad te ondergaan en een plek in de wereld in te nemen. Een kind te maken [...] of een trekker over te halen’.

Als het kind in de hedendaagse roman iets symboliseert, is het wel wat Goedkoop hier verwoordt: een keuze voor de wereld, voor gemeenschap, voor een ‘wij’. Het kind doet een appèl op de (mannelijke) hoofdpersoon, die tot op dat moment in de eerste plaats in zichzelf geïnteresseerd was. Neem de schilder Felix uit Willem Jan Ottens Specht en zoon, die pas nadat zijn zoon geboren is beseft wat de mensen om hem heen betekenen en hoe kwetsbaar ze zijn, en dan zijn verantwoordelijkheid neemt: ‘Vertrouw me, zei hij. Alsjeblieft. Ik wil te vertrouwen zijn’. Nadat hij dit inzicht heeft bereikt, kan deze ‘Schepper’, zoals hij wordt genoemd, pas daadwerkelijk aan het schilderen gaan.

Zo schreef Otten een happy end en daarmee een niet-ironische variant van Kellendonks uitgangspunt dat kunst bezield moet zijn door liefde, die zich aandient in de persoon van het kind. Dat deze gedachte niet alleen in de Nederlandse literatuur van het moment speelt, bewijzen romans als On Beauty van Zadie Smith, of Ian McEwans spraakmakende roman Saturday. Daarin redt een zwangere jonge vrouw haar hele gezin, omdat ze poedelnaakt een romantisch gedicht voordraagt waarmee ze een overvaller weet te ontroeren. Het is de vraag of de genade voortkomt uit haar voordracht van het gedicht, of uit de aanblik van haar zwangere buik. Het zal de combinatie zijn: ook hier kan kunst alleen haar werk doen als zij bezield is door het prille leven.

We zijn hier ver van het sarcasme van Kellendonk. En zo zijn er meer romans waarin het (ongeboren) kind een direct moreel appel doet. In De wandelaar van Adriaan van Dis is het een bij een brand gewond geraakt Afrikaanse meisje dat de hoofdpersoon uit zijn ivoren toren lokt, in Tirza van Arnon Grunberg een Namibisch meisje dat Hofmeester bij de hand neemt (‘Je had een andere hand kunnen pakken, maar je pakte de mijne’), in De literaire kring van M. Februari gaat het om een gestorven jongetje op Haïti. Deze kinderen zijn een wake-up call voor de eenzelvige hoofdpersoon, die zich voorheen niet bezig hield met ethiek, maar met esthetiek, macht of geld.

Een beetje zoetsappig is het wel, geen wonder dat P.F. Thomése er de draak mee steekt in zijn roman Vladiwostok!. Na jaren van onverschilligheid ziet de nietsontziende, cynische held Fons Nieuwenhuijs daarin ineens het licht en erkent zijn bastaardzoontje, niet uit liefde maar om zijn eigen onvruchtbare vrouw een pleziertje te doen: ‘Een kind maakt iets overleefds in een mens wakker. Naïeve bullshit natuurlijk, maar toch. De reële hoop op een ander, een beter leven [...] Dat las hij in de kinderogen: de zekerheid dat het altijd, en altijd weer, opnieuw begon’. Het sarcasme is nog niet helemaal verdwenen.

Maar de ironie van Thomése doet niets af aan het feit dat er allerlei baby’s en kinderen in de Nederlandse literatuur rondzwerven die juist de ‘hele ernstige vraagstukken’ van Komrij oproepen. Meer dan ooit is het kind in de roman een oproep tot verantwoordelijkheid: het tegenwicht voor de leegte van kunst, geld of macht. Het is een cliché, maar voor veel auteurs blijkbaar een actueel cliché.