Politiek in de schaduw

De Nederlandse burgers hebben gisteren in 394 gemeenten hun gemeenteraden gekozen, maar ze zullen dikwijls de indruk hebben gekregen dat deze lokale verkiezingen blijkbaar niet gingen over de vraag of de wankele coalitie in Rotterdam plaats moet maken, over eventuele bebouwing van de Oostvlietpolder in Leiden of over de aanleg van een vliegveld in Enschede.

Als kiezers argeloos zouden zijn, hadden ze kunnen denken dat de verkiezingen wellicht over de val van het kabinet-Balkenende IV gingen of dat fractieleiders in de Tweede Kamer uitmaken of de onroerendezaakbelasting (ozb) of andere lokale lasten worden verhoogd.

Dat is allemaal niet het geval en dus is het ondermijnend voor de betekenis van de lokale democratie dat landelijke partij- en/of fractieleiders de laatste weken zo frequent via de media met elkaar in nogal vruchteloze debatten verwikkeld raakten. Alsof zij nu al verkiesbaar waren.

Dat is met name de nationale televisie- en radio-omroepen aan te rekenen. Politici zelf valt moeilijk te verwijten dat zij hun maximale best doen om stemmen te trekken voor hun partij.

De PVV, die in slechts twee gemeenten aan de verkiezingen deelnam, wat overigens haar goed recht was, kreeg zo onevenredig veel aandacht. Andere politieke partijen lieten het zich overkomen en leefbare en overige lokale bewegingen hadden bij dat mediageweld vaak het nakijken.

Het verschijnsel is niet nieuw en een ander feit is dat de nationale politiek van grote invloed is op de speelruimte van gemeentebesturen. De wetgever heeft gemeenten drastisch beperkt in hun mogelijkheden om zelf belastingen te heffen en daardoor zijn ze voor het grootste deel afhankelijk van het geld dat er op de Rijksbegroting voor ze wordt vrijgemaakt. Niettemin is de gemeente de eerste overheid die de burger tegenkomt en verdient zij meer respect van landelijke politici als democratische entiteit.

Daarom waren uitspraken van nationale, politieke kopstukken over het al dan niet verhogen of verlagen van lokale lasten, zoals de ozb, gratuit.

Op de eerste plaats gaan daar, binnen wettelijke grenzen, de wethouders en de raadsleden over.

Op de tweede plaats zal de noodzaak van verhoging of de mogelijkheid tot verlaging van deze belasting van gemeente tot gemeente verschillen, afhankelijk van lokale noden en prioriteiten.

Op de derde plaats maakten dezelfde landelijke politici de gemeenten niet duidelijk op hoeveel minder geld zij de komende jaren van het Rijk moeten rekenen, als gevolg van besluiten die kabinet en Tweede Kamer nog moeten nemen. Die zijn door de val van het kabinet alleen maar vertraagd.

Mede daardoor beginnen de onderhandelingen voor de vorming van de nieuwe colleges van B en W nu in grote onzekerheid over de financiële spankracht van de gemeenten. Ze weten wat ze dit jaar te besteden hebben en zo ongeveer volgend jaar, maar voor daarna turen ze in duisternis. Daarbij komt dat een eventueel voortgaande economische crisis juist de gemeenten niet onberoerd raakt. Daar is het in de afgelopen campagne te weinig over gegaan.