Met meel in de mond

Nog een klassieker… Heilige koe van de Tate en het MoMa, oogappel van Saatchi & Saatchi… Hij verkocht 222 plexiglazen vitrines met misvormde gipsen negerhoofden voor tweehonderdduizend dollar en zijn eigen drol, weliswaar verguld, voor vijfhonderdduizend dollar aan superrijke verzamelaars die stonden te popelen tot de beschaafde wereld te worden toegelaten… Gelukkige, beschaafde verzamelaars zijn het nu… Als zo iemand geen klassieker is.

Terence Koh heet hij, ook asianpunkboy genaamd, een in China geboren Canadees. Jong, ontheemd en met bijna niks de kunstwereld ingepakt, ik heb respect voor zo’n genie. Alleen die kunstwereld maakt me wat lacherig.

Ze lopen achter elke wonderboy aan, wat ik van te rijke heren begrijp, maar achter welke kunst lopen ze aan? Wat prikkelt hun hebzucht, en hun hogere kunstzin natuurlijk, als Terence Koh daar zelf geen idee van heeft? Hij maakte een opstelling met vitrines en lugubere hoofden, hij galvaniseerde zijn eigen stront en hij stortte een vrachtwagen met meel in een galeriekelder.

Het verband is me niet duidelijk. Terence Koh zou behoren tot een stroming die New Gothic Art heet. Er wordt wat verzonnen in de culturele studies. Die New Gothic Art zou dan geobsedeerd zijn door horror en nachtzijde, door angst en hel.

Ik vind er niet veel van terug bij Terence Koh. Tenzij je het er speciaal in wilt ontdekken, vanzelf. De vergulde drol en de verminkte negertronie als horror, de zak met meel als de nachtzijde.

Wit poeder, moet ik zeggen.

We noemen een Christusbeeld toch ook geen gekerfde en geverfde boomstronk? Kunst is eerbied. Dat geldt ook voor superrijken die worden genaaid door een Canadese asianpunkboy.

Een flinke laag witte poeder had Terence Koh in de kelderruimte van een galerie in Los Angeles laten storten. Tijdens de vernissage zag je op de bovenverdieping en op straat overal witte voetstappen, dus de kunstkenner van de Los Angeles Times kon de expositie makkelijk vinden.

„Het werk had een rustige, gewijde uitstraling”, schreef ze in haar bespreking, „in gelijke mate hemels en dodelijk.”

Er heerst veel eerbied in zulke kringen. „Witheid is inderdaad een krachtig element”, vervolgde ze, „zowel conceptueel als gevoelsmatig, en het schouwspel van een kunstwerk dat deze witheid toepast om de toeschouwers letterlijk te bevuilen, door ze te verplichten de sporen ervan naar de buitenwereld uit te dragen, vormt een klinkend en fascinerend gebaar.”

Meel is besmettelijk, ze zegt het zelf.