Met dat onhandige apparaat in zijn knuistjes

Mensen die verslavingsgevoelig zijn, kunnen deze column beter niet lezen.

Onlangs kreeg mijn vriend een iPhone. Dat zorgde voor allerlei spanningen in onze relatie. Hij had mij namelijk jarenlang afgeraden een iPhone te nemen, omdat het een ‘onhandig apparaat’ zou zijn, wat ik bovendien ‘onmiddellijk zou laten vallen’.

Nu zat hij zelf dag en nacht met dat onhandige apparaat in zijn knuistjes, dolgelukkig. Met mij praten was er niet meer bij, of het moesten korte zinnen zijn die steevast begonnen met de woorden: „Weet je waar óók een app voor is?”

Al gauw raakte zijn nieuwe wereld beperkt tot één spelletje op de iPhone: Doodle Jump. Bij Doodle Jump moet je met een doodle – een getekend mannetje – van blokje naar blokje springen, zo hoog mogelijk de lucht in. Soms krijgt de doodle helikopterwieken, of een trampolientje om nog hoger te springen. (Het goede aan computerspelletjes navertellen is dat hun intense stupiditeit daarbij altijd onmiddellijk aan het licht komt.)

Dit spel speelde mijn vriend dag en nacht. En als ik zeg ‘dag en nacht’ bedoel ik ook echt ‘dag’ en ‘nacht’. Regelmatig hoorde ik vanuit de wc het ‘fieeeeeeeuw’-geluid dat klinkt als de doodle verkeerd gesprongen is en naar beneden tuimelt. En na ‘Fieeeeeuw’ hoorde ik dan altijd ‘Kut!’

Gezellig.

Doodle Jump bleek veel aanhangers te hebben, die hun scores vergelijken op Facebook en Twitter. Toen mijn vriend daar achter was gekomen, werden de ‘Kuts’ na elk spelletje nog hartgrondiger, want nu wilde hij de scores van anderen overtreffen.

Totdat hij een andere toepassing van Doodle Jump ontdekte: de statistieken. Daarbij kan elke speler bekijken hoeveel kostbare minuten van zijn leven hij aan Doodle Jump heeft opgeofferd, terwijl hij bijvoorbeeld ook boeiende gesprekken had kunnen voeren met zijn razend intelligente vriendin. Of liefdevol had kunnen staren naar zijn pasgeboren kind.

Ik zal niet vertellen hoeveel uur van zijn leven mijn vriend gedoodlejumped had, maar het was wel meer dan een etmaal.

Sinds hij dit deprimerende feit heeft ontdekt, hoor ik minder vaak ‘Fieeeeeeeuw’. Ik hoor ook minder vaak ‘Kut!’

Ik weet niet hoe lang deze rust zal duren. Gisteren liet hij me een nieuw spel zien op zijn telefoon. „Kijk, je hebt een lappen pop, en die moet je in een kanon doen, en dan moet je die pop over dat muurtje heen schieten. En dat muurtje is dan elke keer een andere hoogte.”