Ketting pakt groots uit met kamermuziek in grote zaal

Concert ASKO/ Schönberg o.l.v. Reinbert de Leeuw, met Natalia Zagorinskaja, sopraan. Werken van Schönberg, Ketting, Kurtág en Ligeti. Gehoord: 3/3 Concertgebouw, Amsterdam. ****

Kamermuziek in de grote zaal van het Concertgebouw? Het kán soms wat klein uitvallen, maar dat was zeker niet het geval bij de Drei Stücke für Kammerorchester (Schönberg), het Kammerkonzert (Ligeti) en de Kammersymphonie (Ketting) die ASKO/Schönberg er gisteren speelde. De zelfstandigheid en gelijkwaardigheid van de individuele instrumenten – het basisprincipe van kamermuziek – vormt in deze werken het uitgangspunt voor muziek met een ontegenzeglijk symfonische impact.

Kettings Kammersymphonie beleefde zijn wereldpremière. De titel verwijst naar het gelijknamige werk van de ‘entartete’ componist Franz Schreker (1878-1934), die ook geciteerd wordt. Het werk heeft een heldere grote vorm, maar lijkt er vooral een doel op zich van te maken om die vorm nu eens duidelijk te articuleren, bijvoorbeeld met stoere trommelsolo’s die werken als oriëntatiepunten, en hem dan weer te ontvluchten in eindeloze associaties.

Karakteristiek is daarbij de combinatie van langgerekte, ballroom-achtig nostalgische melodielijnen en puntige, ritmische koperakkoorden. Kettings affiniteit met minimal music blijkt duidelijk in passages met pulserend over elkaar heen schuivende lagen, zonder dat dit idioom echter de overhand krijgt. Ketting blijft met retorisch inzicht zijn eigen weg volgen, en schroomt niet om daarbij af en toe groots uit te pakken.

Dat je met nagenoeg dezelfde bezetting ook bescheidener muziek kunt schrijven, liet György Kurtág horen in zijn recente Liederen op gedichten van Anna Achmatova, op. 46 (1997-2009). Naar voorbeeld van Schönbergs prachtig uitgevoerde Drei Stücke (1910) gaat Kurtág geconcentreerd en aforistisch te werk, met uitgedunde texturen, minutieus gebalanceerde samenklanken en zorgvuldig geplaatste stiltes. Hij componeerde de liederen voor sopraan Natalia Zagorinskaja, die ze puur en perfect zong.

Componist Andries van Rossem maakte een instrumentatie van Schönbergs orgelwerk Variations on a Recitative for Organ, op. 40 (1941). Het schijnt onspeelbaar te zijn voor organisten en wordt daarom zelden uitgevoerd, maar ook in Van Rossems instrumentatie – die de bezetting van Schönbergs Kammersymphonie gebruikt – bleef het werk tamelijk ondoordringbaar, misschien door hier en daar optredende intonatieproblemen.

Ligeti’s Kammerkonzert (1970) kreeg een spannende en genuanceerde uitvoering, met in de ruimte zwevende klanktapijten en feilloos in elkaar passende polyritmes. Aan het eind van zijn leven koos Ligeti deze musici al voor de ‘definitieve’ cd-opname van zijn werk; gisteren toonden ze zich nog altijd heer en meester.