In de vut

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton over zijn belevenissen.

Ik stond in de huiskamer en strikte mijn stropdas voor de wandspiegel. Het was een mooie, lange spiegel die in een goudkleurige houten lijst hing.

Voor deze spiegel had mevrouw Van den Oever meer dan dertig jaar haar hoofddoekje omgeknoopt voordat ze de deur uitging. Maar sinds twee maanden waren het Jolanda en ik die zich voor de spiegel fatsoeneerden. Het was ons bezit geworden. Net als alle andere spullen in deze twee verdiepingen tellende woning.

We hadden alles intact en op z’n plek gelaten. De enige verandering was het naamplaatje op de voordeur. ‘Driss en Jolanda Tafersiti’ stond daar op. Zo wilde mevrouw Van den Oever het en zo was het ook veranderd in de woonakte.

Ik had altijd in Zeewijk gewoond, een buurt met veel flatgebouwen. In de loop der jaren veranderde de wijk. Er kwamen steeds meer Marokkanen en Turken bij. In Oud-IJmuiden, waar ik nu kwam te wonen, was alles bij het oude gebleven; de buurt bestond uit rijtjeswoningen en werd bevolkt door witte mensen. In het verleden kwam ik alleen in deze wijk om Jolanda en mevrouw Van den Oever te bezoeken. Maar van bezoeker werd ik bewoner van deze wijk. Dat was voor mij net zo een onwerkelijke situatie als voor mijn buurtgenoten, die altijd even moesten omkijken als ik langsliep.

„Ben je klaar, Driss?” vroeg Jolanda toen ze de trap af kwam lopen. Ze ging achter mij staan en rechtte de kraag van mijn overhemd.

„Als jouw ouders naar het verzorgingstehuis gaan, dan moeten ze hun huis aan Mustapha geven.”

„Waarom?”

„Dan ben ik niet meer de enige krullenbol in de buurt.”

„Dat mijn vader stopt met werken, wil niet zeggen dat hij rijp is voor het bejaardentehuis.” Ik grijnsde haar aan in de spiegel en zei: „Ik kon toch het proberen.”

We gingen de deur uit. Jolanda en ik waren uitgenodigd voor de afscheidsreceptie van meneer Tielemans die in het Staatsvissershavenbedrijf zou plaatsvinden. Meneer Tielemans was 59 jaar oud en had er voor gekozen om met de vut te gaan. Zijn resterende dagen zou hij vullen met vissen, fietstochten en met de caravan door Zuid-Frankrijk reizen, en dit alles met behoud van zijn salaris. Dat was een vooruitzicht om jaloers op te zijn.

„Lieve collega’s, vrienden en familie”, begon meneer Tielemans zijn praatje op de receptie. „Er is een tijd van komen, en er is een tijd van gaan.” Meneer Tielemans stond op de trap van de hal, die voor deze gelegenheid werd gebruikt als receptieruimte. Voor de sfeer waren slingers en ballonnen opgehangen. Meneer Tielemans haalde herinneringen op aan hoe hij in de haven begon als arbeider en opklom tot afdelingshoofd van de administratie. „Ik zal nooit vergeten wat het Staatsvissershavenbedrijf voor mij heeft gedaan. Het gaat jullie goed. Proost!” Iedereen hief het glas. Na de toespraak kreeg meneer Tielemans uit handen van de directeur een afscheidscadeau: een wedstrijdhengel. Meneer Tielemans kwam bij zijn vrouw, Jolanda en mij staan. Terwijl sommige collega’s hem bedankten voor de fijne jaren, ging ik naar de wc. Ik zat op de pot toen ik een gesprek opving tussen twee mensen die na mij het toilet binnenkwamen. „Die Henk weet het wel mooi te brengen, hè? Hij is eruit gewerkt, maar doet alsof-ie uit vrije wil is vertrokken.”

„Hij heeft nog geluk. Die Turken in de haven worden binnenkort massaal ontslagen. En die krijgen echt geen dure wedstrijdhengel mee.” Ik bleef zitten totdat de twee mannen weg waren. Daarna voegde ik mij weer bij Jolanda en mijn schoonouders.

„Wat zie je bleek, Driss”, zei mevrouw Tielemans. „Is er iets?”

„Nee, nee, het gaat prima.”

Ik keek naar meneer Tielemans. De pijn op zijn gezicht die ik had toegeschreven aan het afscheid, was een ander soort pijn. Het was de pijn van vernedering.