Zaagmuziek

Een paar weken geleden dacht ik tijdens een concert aan gemeentebeleid. Het was in het muziekgebouw aan ’t IJ: een violist gebruikte zijn instrument om een geluid van een soort krakende deur te produceren. Naast hem zat een cellist die met zijn strijkstok zijn cello leek te willen doorzagen terwijl de altviool en tweede viool gekras produceerden dat zo hoog was dat het me geschikt leek om honden mee te straffen.

Ik had me die avond vergist: het strijkkwartet zou in plaats van mooie muziek alleen maar postmoderne muziek spelen. Zeg maar, muziek van het genre ‘ontoegankelijk’, het genre ‘niet bedoeld om van te genieten’, het genre waar niemand vrijwillig langer dan tien minuten naar wil luisteren tenzij je behoort tot de vijftig liefhebbers van excentrieke zaagmuziek die ons land rijk is. Ze waren allemaal in het muziekgebouw aanwezig die avond. De andere 600 plaatsen waren leeg.

Deze gemeenteraadsverkiezingen vraagt Amsterdam zich af hoe het 620 miljoen kan bezuinigen. Er wordt openlijk getwijfeld of de Noord-Zuid lijn nog moet worden afgebouwd, of de parkeertarieven niet boven de vijf euro kunnen. Maar niemand hoor je over dat uit de hand gelopen cultuurhobbyisme: 115 miljoen euro gaat er jaarlijks naar onder andere 40 theaters, 30 concertzalen, elf balletgezelschappen, en tientallen andere kunstprojecten die stuk voor stuk niet rendabel zijn. En waarvoor de gemeente Amsterdam (en dus voor tweederde de Nederlandse overheid) moet betalen.

Het was niet eens een vraag in de stemwijzer. Zelfs in tijden van crisis stelt geen enkele partij voor om het subsidiebudget in te perken. Om in plaats van lelijke muziek te subsidiëren, het belastinggeld bij het volk te laten zodat de mensen zelf kunnen bepalen wat ze mooi vinden. En waar ze dus hun geld aan willen uitgeven.

Tijdens het concert vroeg ik me af wat de mensheid over tientallen eeuwen, als onze mp3’tjes onder vijf sedimentlagen worden teruggevonden, van ons zal vinden. Of de mensen onze eeuw zullen prijzen om de uitbundige creativiteit, of dat ze het meeste gewoon wansmaak vinden en de cd’s vol zaagmuziek niet eens overwegen om in hun musea ten gehore te brengen. Ik schaam me nu al.

Rosanne Hertzberger