Vragen bij moordproces Marokko

Voor zes moorden in België en terreurplannen in Marokko werd Abdelkader Belliraj tot levenslang veroordeeld. Vandaag begint de beroepszaak.

Nee, hij heeft geen ontmoeting gehad met Osama bin Laden en Ayman al-Zawahiri van Al-Qaeda in de week voor de aanslagen van 11 september 2001. Net zo min als hij in de jaren tachtig een huurmoordenaar was voor de Zwarte September-groep van Abu Nidal. En hij werkte ook niet voor de Belgische staatsveiligheidsdienst.

In een gesprek met Belgische kranten, via een mobiele telefoon die zijn cel was binnengesmokkeld, heeft Abdelkader Belliraj (52), afgelopen weekeinde alles ontkend waarvoor hij in juli 2008 in Marokko tot levenslang werd veroordeeld. Belliraj werd begin 2008 in Marokko gearresteerd op beschuldiging van wapensmokkel, het beramen van terreuraanslagen in Marokko en zes onopgeloste moorden die in de jaren tachtig in en rond Brussel werden gepleegd. Vier van die moorden, waaronder die op de Saoedische imam van de Grote Moskee van Brussel en op een prominent lid van de joodse gemeenschap in België, Joseph Wybran, werden destijds opgeëist door organisaties van Abu Nidal in Libanon. Vandaag gaat het proces-Belliraj opnieuw van start voor het Hof van beroep in Salé nabij de hoofdstad Rabat.

Verdachten weerspreken wel vaker de beschuldigingen die hun ten laste worden gelegd, maar in de zaak-Belliraj zijn in de afgelopen twee jaar veel vragen gerezen. Het feit dat de Marokkaanse politiediensten in de drie dagen tussen de arrestatie van Belliraj op verdenking van terrorisme en zijn verschijning voor de rechtbank zes moorden konden oplossen waar de Belgische politie in 20 jaar tijd geen sporen had gevonden, was opmerkelijk.

Advocaten en mensenrechtenorganisaties kwamen ook met beschuldigingen van foltering. Belliraj en andere verdachten zouden wekenlang gefolterd zijn in het detentiecentrum van de binnenlandse veiligheidsdienst DST in Temara, ten zuiden van Rabat.

„Men heeft de [Marokkaanse] oppositie willen uitschakelen door er terroristen van te maken. Men had dus een 'terrorist’ nodig, iemand die men vrijelijk kon beschuldigen van een reeks misdrijven zonder dat direct kon worden geverifieerd of hij die misdrijven werkelijk had gepleegd”, zei Belliraj zelf tegen de krant De Morgen.

Belliraj ontkende ook dat hij een agent was van de Belgische Staatsveiligheid, een beschuldiging die in België de afgelopen twee jaar veel stof heeft doen opwaaien. De Staatsveiligheid heeft dat nooit bevestigd noch ontkend. In haar recent verschenen jaarrapport 2008 – het eerste dergelijke rapport – stelde de inlichtingendienst alleen dat zij „nooit beschikte over elementen die erop wezen dat [Belliraj en co] betrokken waren bij een of andere terroristische activiteit of over elementen die het mogelijk maakten om een van hen met de zes moorden te verbinden die het netwerk ten laste worden gelegd”.

In Marokko zelf wordt de zaak-Belliraj inderdaad door velen gezien als een poging om enkele linkse en islamitische partijen buitenspel te zetten. Onder de hoofdbeklaagden in de zaak-Belliraj bevinden zich immers ook kopstukken van de PJD, de voornaamste fundamentalistische partij in Marokko, twee kleinere, inmiddels verboden islamitische partijen, de Hizb Oumma en Al-Badil al-Hadari, en de linkse partij PSU.

Op een bijeenkomst in Rabat op 19 februari naar aanleiding van de vrijlating van Hamid al-Najibi, een PSU-militant die twee jaar cel kreeg in de zaak-Belliraj, werd gesproken van een „geprefabriceerd proces” met als bedoeling de partijen van links „monddood te maken”. Op de bijeenkomst waren ook militanten van de verboden islamitische partijen aanwezig.

Volgens politicoloog Mohammed Darif moet het proces-Belliraj gezien worden in het kader van de angst in Marokko en andere Arabische landen voor een vermeend ‘shi’itisch gevaar’. Marokko zegt dat Belliraj zich tot het shi’isme heeft bekeerd. Vooral de populariteit van Hezbollah-leider Nasrallah en de Iraanse president Ahmadinejad wordt in de sunnitische wereld met argwaan bekeken, zegt Darif. Ook in de Marokkaanse gemeenschap in Europa is het shi’isme de laatste tijd erg populair.

„Na de overwinning van Hezbollah in de oorlog tegen Israël in 2006, het aantreden van een shi’itische regering in Irak en de dreiging van een oorlog tussen de VS en Iran waren veel Arabische regimes bang voor repercussies in eigen land. Dat was voor Marokko reden om oude dossiers over shi’itische sympathisanten vanonder het stof te halen”, aldus Darif.

Een aantal hoofdbeklaagden in de zaak-Belliraj wordt ervan verdacht in de jaren tachtig inderdaad plannen te hebben gehad om de Marokkaanse monarchie omver te werpen in navolging van de Iraanse revolutie van 1979. Zelf zeggen zij dat zij al in de jaren negentig gekozen hebben om hun werk op politiek terrein voort te zetten.

Begin 2009 verbrak Marokko de diplomatieke betrekkingen met Iran. Rabat beschuldigde Teheran van activiteiten die „de religieuze eenheid van Marokko” bedreigden.