Roze jas Couperus maakt literatuur tastbaar

Met een opstelling waarin de schrijver meer centraal staat, wil het Letterkundig Museum meer bezoekers trekken. Morgen wordt het heropend door Mulisch.

Louis Couperus verveelde zich wel eens toen hij in 1899 bezig was aan zijn boek De stille kracht. Aan de randen van het papier waarop hij schreef tekende hij meerdere malen het hoofd van een dame met een varkensneus. En de dichtwoorden op de vierhonderd jaar oude kladjes van Constantijn Huygens zijn nog altijd goed leesbaar.

In ‘Wording’, de eerste zaal van de expositie Het Pantheon. 100 schrijvers – 1000 jaar literatuur krijgt de bezoeker van het Letterkundig Museum in Den Haag het gevoel alsof hij heel even over de schouder van Nederlands beroemdste schrijvers meekijkt. In glanzende vitrines worden originele krabbels en notities van werken getoond die later tot de canon van de Nederlandse literatuur zijn gaan behoren. „Een ode aan het handschrift”, zo noemt directeur Aad Meinderts deze nieuwe vaste tentoonstelling die morgen zal worden geopend door Harry Mulisch.

Na een sluiting van ruim twee jaar en een grootscheepse verbouwing is het museum volledig getransformeerd. Het gebouw, dat vanaf deze week weer open is voor publiek, is volgens Meinderts een stuk lichter en transparanter dan voorheen. „Deze verbouwing liet geen enkele steen onberoerd”, zegt hij, terwijl hij door de gloednieuwe, naar verf ruikende ruimtes wandelt. „We hebben nu een centrale trap en 500 vierkante meter extra tentoonstellingsruimte.”

Bij de feestelijke opening morgen zal het museum twee nieuwe vaste exposities presenteren: naast Het Pantheon de Nationale Schrijversgalerij. De galerij, die sinds 2004 deel uitmaakt van het museum, is verplaatst naar een verdieping lager, zodat de bezoeker bij het betreden van het museum oog in oog staat met een bonte verzameling van 500 geschilderde en gebeeldhouwde schrijversportretten.

De expositie Pantheon is opgedeeld in vier delen. Wie loopt door de zaal ‘Vorm en Stijl’, waar gedichten, prozafragmenten en boekverfilmingen te zien zijn, komt in een andere ruimte, getiteld ‘Ophef’, waar maatschappelijk tumult rondom literatuur kan worden bekeken. Staand boven een vitrine kan je, via een systeem van uitschuifbare lades, alles te weten komen over het ezelsproces tegen Gerard Reve of je verdiepen in Mandarijnen op Zwavelzuur, de vernijnige essays die die W.F. Hermans in de jaren veertig en vijftig schreef over de Nederlandse literatuur.

In de laatste zaal, getiteld ‘Biografie’, zijn curieuze objecten te bewonderen zoals het roze carnavalspak van Louis Couperus en het konijn van Gerard Reve. Dit soort objecten kunnen de bezoeker prikkelen om zich meer in een schrijver te verdiepen, meent Joris Kwast, projectleider en samensteller van Het Pantheon. „Ik heb gezocht naar de juiste verhouding tussen vorm, beeld en tekst. Maar uiteindelijk blijft het geschreven woord het belangrijkste element van deze expositie.”

Anders dan bij vorige exposities in het Letterkundig Museum, waar de bezoeker langs chronologische lijnen de literatuurgeschiedenis volgde, heeft Kwast bij deze tentoonstelling de schrijvers als uitgangspunt genomen. „Als je je wilt richten op verschillende stromingen, heb je een heel gebouw nodig. Zoiets lukt niet op 400 vierkante meter. Door je op het individu te richten, kom je vanzelf uit bij wat het persoonlijke overstijgt.”

‘Het Pantheon’, dat de kern vormt van de expositie, is een hommage aan Vlaamse en Nederlandstalige auteurs die het literaire landschap van de Lage Landen in de afgelopen duizend jaar hebben bepaald. Door middel van honderd filmpjes – beginnend met Frans Kellendonk en eindigend met Beatrijs – maakt de bezoeker een rondgang langs honderd, uitsluitend overleden, auteurs. Jan Wolkers en Hugo Claus – die in 2007 en 2008 overleden – zijn er ook in opgenomen.

Ieder filmpje geeft een beeld van de levensgeschiedenis en het werk van de schrijver. Soms zit er verassend materiaal tussen. Zo wordt een deel uit Vanden vos Reinaerde in rapversie gebracht door Charlie May, speelt Herman Gorter haasje-over met zijn kinderen en is er een filmpje, gedoneerd door de familie, waarop te zien is hoe Johan Huizinga in 1937 in het huwelijk treedt met zijn huishoudster.

„Deze videoportretten maken de literatuur tastbaar”, zegt Kwast. „Je hoort de schrijvers praten en bewegen, het verleden komt dichterbij. Mensen die dit zien – en dan bedoel ik niet alleen literatuurliefhebbers – worden verrast. Het idee is dat ze later een boek gaan opzoeken van een schrijver die ze nog niet kenden.”

Voor de selectie van de honderd schrijvers werd een speciale commissie in het leven geroepen, met onder meer Frits van Oostrom, Marita Mathijsen en Nelleke Noordervliet. Zij kozen voor veel vertrouwde namen zoals Multatuli en Gerard Reve maar ook voor enkele ongebruikelijke zoals Vincent van Gogh, Anne Frank, Renate Rubinstein en Marten Toonder. Meinderts: „Je moet dit zien als een literair-cultureel canon. Daartoe behoren dus niet alleen maar de vertegenwoordigers van de schone letteren maar ook filosofen en rechtsgeleerden die niet per se uitblinken in de literaire vorm.”

Hij geeft toe dat de taak om uit duizend jaar een keuze voor slechts honderd schrijvers te maken een onmogelijke is. „In dit geval citeer ik J.C. Bloem: ‘Kiezen is het droefst verliezen.’ Met deze canon zeggen we als museum: dit zijn schrijvers die wij zeer belangrijk vinden, maar je kunt hartstochtelijk van mening verschillen over de keuze die is gemaakt. Het betekent niet dat het Letterkundig Museum hiermee het laatste woord heeft.”

Voor de verbouwing kreeg het Haagse museum, naast structurele subsidie die het van OCW ontvangt, 650 duizend euro extra. Via een steunstichting werd 1,5 miljoen ingezameld. Daarnaast kreeg het museum 20 duizend euro van de Nederlandse Taalunie. Meinderts hoopt meer bezoekers te trekken. „We hebben jaarlijks zo’n 40 duizend bezoekers. Ons streven is dat er 20 duizend bijkomen.”

Het Pantheon is de derde vaste tentoonstelling. Al eerder maakte Meinderts, voordat hij vorig jaar directeur werd, de semi-permanente expositie Gaan waar de woorden gaan. Voor die tentoonstelling, waar 200 levende en niet levende schrijvers werden getoond, moesten 25 oudere schrijvers het veld ruimen voor de laatste generatie jonge Negentigers. Willem Brakman, die destijds tot ‘de verwijderden’ behoorde, toonde zich gegriefd en noemde in NRC Handelsblad de handelswijze van het museum „een brute overval”. Had de keuze om dit keer alleen dode schrijvers in de expositie op te nemen hier iets mee te maken? Meinderts: „Het feit dat wij nu alleen voor overleden schrijvers kiezen komt niet voort uit angst voor soortgelijke problemen als destijds. Ik vond die ophef helemaal niet vervelend. Zoiets is altijd goed, zolang er maar over literatuur wordt gesproken.”