Pedohysterie

Paters die veertig jaar later opeens openlijk worden beschuldigd, veroordeelde mannen die uit hun huis worden verdreven – de maatschappelijke verontwaardiging over pedofilie groeit ook in Nederland nog steeds.

Maar opeens is daar een ander geluid. Bij uitgeverij Van Oorschot verscheen deze week een herdruk van de autobiografische vertelling Een jongen met vier benen van Kees Verheul. De uitgever heeft het boek naar de pers gestuurd met een opmerkelijke begeleidende brief.

„Anno 2010”, schrijft de uitgever, „bestaat tegenover pedoseksualiteit bij velen een als vanzelfsprekend geachte houding van emotionele afkeer, die de schrijver met name omwille van het kind verontrust. Het is een bijkomende reden voor zijn instemming met deze heruitgave. Op verzoek van de uitgever, die deze verontrusting deelt, voegde Verheul daarom een nawoord toe.”

Uit dat nawoord citeert de uitgever deze slotalinea: „Gelukkig komen hier en daar wel bezwaren op gang tegen de massale gespannenheid grenzend aan hysterie, die op het ogenblik heerst rondom pedofilie en pedoseksualiteit. Niets zo funest bij de benadering van dit onderwerp als lukrake emotie en moedwillige blindheid voor nuances.”

Ik juich de (nu alweer zesde) herdruk toe, want het is een mooi boek. Het verscheen voor het eerst in 1982 bij uitgeverij Querido. Verheul schrijft over het ontwakende homo-erotische gevoelsleven van zijn jeugd en wijdt het laatste deel aan de seksuele relatie die hij van zijn tiende tot veertiende jaar met een veel oudere man, ‘meneer Prinsen’, onderhield. Dat is het indrukwekkendste deel van het boek.

Toen het boek destijds uitkwam, maakte ik een lang interview met Verheul voor Vrij Nederland. Mij was opgevallen dat hij eerder met empathie dan met boosheid over meneer Prinsen schreef, hoewel ikzelf als lezer enige afkeer begon te voelen van de sluwheid waarmee de man zijn seksuele verlangens opdringt.

Heb je achteraf bezwaar tegen zo’n relatie, vroeg ik destijds Verheul. „Ik heb er op zichzelf helemaal geen bezwaar tegen”, zei hij. „Terwijl ik het zelf weer aan het beschrijven was, viel me op dat ik er – eigenlijk meer dan ik verwacht had – veel aan ontleend heb, vooral in de begintijd van die verhouding. Ik ondervond hartelijkheid, warmte en belangstelling – dat had ik nodig en daarvan genoot ik.”

Ik vroeg hem ook wat hij een pedofiele vriend zou adviseren die hem over zo’n relatie vertelde. „Ik zou het hem niet afraden”, zei hij, „maar ik zou hem wel waarschuwen dat hij er zich terdege van bewust moet zijn wat het betekent voor het kind. Ik zou hem op het hart drukken om het heel serieus te nemen en er met het kind over te praten of het een beetje open kan, hoewel dat ook nu nog heel moeilijk zal zijn tegenover de buitenwereld.”

Bijna dertig jaar later is dat nog veel moeilijker, zo niet onmogelijk, geworden. De lankmoedigheid van toen is omgeslagen in woedende afwijzing. Verheul en zijn uitgever vinden dat verontrustend, blijkt uit deze heruitgave. Dit boek bewijst dat elk geval op zichzelf staat en dat je ook in deze kwestie nooit mag generaliseren. Aan de andere kant: het uitblijven van iedere vorm van verontrusting zou ook verontrustend zijn. Wie zich slachtoffer voelt van pedofilie, kan daar een goede reden voor hebben.