Kiezen, dat komt later wel

Bijna 7 procent van alle havo’ers en 10 procent van de vwo’ers begint een jaar later met een vervolgopleiding.

Ze weten niet wat ze willen, of vinden zichzelf nog te jong.

Een jaar naar een highschool in de Verenigde Staten gaan. Of een half jaar werken, geld sparen en de rest van het jaar rondreizen in Zuid-Amerika. Of een cursus fotografie, of Latijn volgen.

Zomaar een greep uit de plannen die eindexamenscholieren na het behalen van hun diploma hebben en met elkaar delen op internet. Hoe uiteenlopend de plannen ook zijn, één ding hebben deze jongeren met elkaar gemeen: ze gaan na hun eindexamen niet direct doorstuderen, maar gaan er eerst een jaartje tussenuit.

Ongeveer 10 procent van de jongeren die elk jaar met een diploma van de middelbare school komen, heeft „serieuze problemen” met het kiezen van een vervolgstudie, schat onderwijsdeskundige Uulkje de Jong. „Je moet je voorstellen: ze zijn jong, de hormonen gieren volop door hun lijven, en ze zijn er nog helemaal niet achter wat het nou moet worden in de toekomst.”

Dus kiest een deel van hen nog even niets. Uit gegevens van het ministerie van Onderwijs blijkt dat in 2007 ruim 6,8 procent van alle havo-gediplomeerden en 10,5 procent van de vwo-gediplomeerden pas een jaar later met een vervolgopleiding begint. „De laatste jaren zijn deze cijfers redelijk stabiel, de groep wordt niet groter of kleiner”, zegt De Jong.

Maar dit zijn niet alleen de besluitelozen, in de cijfers zijn alle havisten en vwo’ers meegeteld die om welke reden dan ook nog even niet aan een vervolgstudie beginnen. Dus ook de avonturiers die wel weten wat ze willen, maar nog eerst even wat van de wereld willen zien. De Jong: „Er is ook een vrij grote groep, vooral onder de havisten, die zichzelf nog te jong vindt om naar het hoger onderwijs te gaan. Hun ouders hebben er doorgaans geen problemen mee. Het zijn vooral de ouders die zelf gestudeerd hebben, openstaan voor cultuur en het financieel goed hebben, die hun kinderen de ruimte durven te geven om er een jaartje tussenuit te gaan.”

In opdracht van het SCO-Kohnstamm Instituut deed De Jong in samenwerking met Ineke van der Veen onderzoek naar beweegredenen en verwachtingen van deze jongeren. De belangrijkste motieven om niet meteen verder te gaan studeren volgens dat onderzoek is inderdaad de vrees om een verkeerde studiekeuze te maken, en de wens om eerst wat rond te kijken alvorens aan een opleiding te beginnen. Wat ze in dat jaar doen? De Jong: „Heel veel van hen kiezen ervoor tijdelijk te werken of gaan naar het buitenland om te reizen of studeren.”

Of het jaartje uitstel leidt tot een betere of slechtere carrière, daar is voor zover De Jong weet, geen onderzoek naar gedaan. „Uiteraard is er een groep waarbij uitstel leidt tot afstel, maar ik zou zeggen dat het voor een toekomstige carrière niet zo veel uitmaakt als je een jaar later, al dan niet zekerder, aan een studie begint.”

Maar, waarschuwt ze, er is ook een groep die wel meteen aan een studie begint zonder 100 procent achter die keuze te staan, en waarbij het misgaat. „Als je nog niet weet wat je wilt en je bent niet goed voorbereid, begin dan niet zomaar aan een studie. Dat kost geld en brengt negatieve ervaringen met zich mee, die in het ergste geval kunnen leiden tot een vervroegde en definitieve stap uit het onderwijs. Je moet er alles aan doen om niet bij die groep te horen.”