Kabinet verdween als dief in de nacht

Parlementariërs besteden hun controlerende taak meer dan ooit uit aan journalisten. Daar is de val van het kabinet Balkenende IV een uitstekend voorbeeld van, menen historici.

Ze gebruikten nagenoeg dezelfde woorden; Joop Den Uyl in 1977, Jan Peter Balkenende 33 jaar later, in de vroege ochtend direct na de val van zijn vierde kabinet. Premier Den Uyl: „Het is niet aan mij en zeker niet op dit ogenblik en op deze plaats om uit te maken en uit te meten wie schuld heeft en waar de verantwoordelijkheid ligt.” Premier Balkenende: „Het is nu niet het moment en de plaats om dieper op de schuldvraag in te gaan - laat staan die van een definitief antwoord te voorzien.”

Toch is er één groot verschil. Den Uyl sprak tegenover volksvertegenwoordigers, in het parlement. Balkenende tegenover de verzamelde pers – geen Kamerlid in de buurt. Die zaten achter de televisie.

De Tweede Kamer heeft niet om een debat over de val van het kabinet gevraagd. GroenLinks en de SP hebben met de gedachte gespeeld, maar na overleg met fractievoorzitters van andere oppositiepartijen trokken ze hun verzoek in.

In het spoeddebat waar ministers moesten komen uitleggen waarom ze elkaar van onwaarheden betichtten over de militaire missie in Afghanistan, wilde de oppositie nog het naadje van de kous weten. Wie vertelde wat, aan wie, waarover, en met welk antwoord? Vooral Kamerleden als Alexander Pechtold (D66) en Femke Halsema (GroenLinks) probeerden toen met hun bijdrages de onenigheid binnen het kabinet zo helder mogelijk voor het voetlicht brengen. Nu het kabinet eenmaal is gevallen, eisen ze geen verantwoording van de premier.

Kabinetten vallen soms in de Tweede Kamer. Dan is een debat achteraf onnodig. Maar kabinetten vallen ook in de ministerraad, onttrokken aan het zicht van het publiek; beraadslagingen in de ministerraad zijn immers geheim. Het is dan gebruikelijk dat de Kamer naderhand om uitleg vraagt. Niet onbegrijpelijk, zegt hoogleraar parlementaire geschiedenis Carla van Baalen, want de regering regeert slechts dankzij een mandaat van het parlement.

Bert van den Braak, ook parlementair historicus, legt uit dat we voor deze situatie moeten teruggaan tot 1935. Toen viel, midden in het zomerreces, het kabinet Colijn II. Na een geslaagde lijmpoging ging deze coalitie van vijf partijen in het najaar verder als Colijn III. De Kamer hoefde geen uitleg.

Van Baalen: „Maar toen vroegen Kamerleden niet om het minste of geringste een Kamerdebat aan. Nu wel. Daarom is het uitblijven van een debat over de val van het kabinet juist extra opmerkelijk.”

Deze historische gebeurtenis markeert een ontwikkeling die al langer gaande is. Aldus hoogleraar politieke geschiedenis Remieg Aerts: „Het begon met het praatprogramma Barend & van Dorp. Daar lieten politici al welbewust serieuze proefballonnen op. De presentatoren stelden zich ook op als parlementariërs. Ze ontlokten bewindslieden uitspraken en hielden hen daar vervolgens aan.”

Dit ‘parlementje’ spelen leek aanvankelijk aanvullend op het werk van de Tweede Kamer, maar allengs bleek sprake van verdringing. Aerts: „Een programma als Buitenhof is een buitenparlementair podium om beleid te presenteren. Politici weten dat alle collega’s kijken. En dat de kranten de volgende dag het gebrachte nieuws verspreiden.”

Een Amerikaanse analyse uit 1975 luidde al dat de pers in een mediacratie aanzienlijke politieke macht geniet. Recenter is het fenomeen dat parlementsleden hun controlerende taak uitbesteden aan diezelfde pers. Aerts: „Dat gaat een stap verder.”

De verontwaardiging daarover begrijpt de historicus wel, maar hij wil die toch in historisch perspectief plaatsen. „Het is vergelijkbaar met de verontwaardiging tijdens de opkomst van de politieke partijen aan het einde van de negentiende eeuw. Onze grondwet spreekt niet van politieke partijen, terwijl die toch van eminent belang zijn in onze politiek. Met de media is het niet anders.”

Is de politiek zich bewust van deze verandering in het eigen denken over de rol van het parlement? Een rondgang wijst daar niet op. Alleen bij de ChristenUnie vinden ze het „vreemd” dat een debat uitblijft. „Maar neem het ons niet kwalijk dat we een debat niet zelf hebben aangevraagd: wij zijn niet trots op de val van het kabinet.”

Bij oppositiepartijen VVD, SGP en SP bestond „geen behoefte tot nakaarten”. Bij GroenLinks is het officiële standpunt: wij wilden de voormalige coalitiegenoten CDA en PvdA geen platform bieden om ongebreideld te kunnen zwartepieten. Een fractiemedewerker die tijdens het gesprek over de kwestie komt binnenlopen, geeft het onofficiële antwoord: „De fractievoorzitters hebben elkaar hierover gesproken. Ze waren het snel met elkaar eens: uit een debat was geen nieuws meer te halen.”

Alles was al gezegd. Op televisie, in de krant. Maar wie ooit de Kamerverslagen erop na zal slaan, vindt niets. Tussen de verslagen van donderdagavond 18 februari en dinsdag 2 maart verdween plotseling een kabinet. Van Baalen: „Als een dief in de nacht.”