Het cruciale van kunst

Nu bezuinigingen geboden zijn, is het in verkiezingstijd goed schieten op de kunsten. Die kunst kan minder, zeg nou zelf, wat heb je liever: een schilderij of extra handen aan de verpleeghuisbedden? Een dansvoorstelling of meer blauw op straat? Partijen maken goeie sier met hun voornemen te schrappen in de kunstsubsidies. Zo kunnen ze poseren als daadkrachtig, praktisch en wars van de behoefte om met het hoofd in de wolken achter de muziek aan te lopen.

Dus kondigde de PvdA in Amsterdam aan sowieso in de kunstensector te snijden en profileert de PVV zich in Den Haag met de belofte de meeste kunstsubsidies te schrappen ten gunste van veiligheid en ouderenzorg, want „Jan Modaal” hoeft niet te betalen voor „de hobby’s van de elite”.

Dat kunst leuk is voor aanstellers, en verder nergens goed voor, dachten de Terschellinger ondernemers ook eens. Maar ze wisten niet hoe snel ze theaterfestival Oerol en zijn vreemde kostgangers moesten steunen, toen het één zomer was opgeschort bij gebrek aan financiële en morele steun van de autoriteiten. Kunst bevordert economische activiteit.

Kunst maakt al eeuwen een verschil: de hofnar in dienst van de middeleeuwse heerser was een dramakunstenaar die de macht gezond hield doordat hem kritiek was toegestaan. Zijn uitzonderingspositie was cruciaal, en dat is voor hedendaagse kunstenaars niet anders.

Meebuigen met de politieke opdrachtgevers bevordert slechte kunst. De schouwburgdirecteur die zijn theater aanprijst als straatverlichtend en dus bevorderlijk voor de veiligheid, vergist zich net zo deerlijk als de theatermaker die zich destijds conform de wensen van een staatssecretaris richtte op allochtoon publiek of het orkest dat een non-descript jong publiek wilde behagen omdat de politiek dat wenselijk vond.

Kunst bevordert de kwaliteit van het leven. Het opent de geest. Het ontmaskert behoudzucht, maakt hart en hersens lenig, bevordert het discours. In Den Haag dragen Toneelgroep De Appel, het Nederlands Danstheater en het schilderij van Jan Steen bij aan het welzijn van de stad. Ook de Hagenees die dat alles links laat liggen, profiteert daarvan.

64 procent van kunst en cultuur wordt betaald door het Rijk, de provincies en de gemeenten, omdat kunst noodzakelijk is gebleken. Niet voor niets wordt het al langer dan sinds mensenheugenis beoefend. Daarbij is de noodzaak om zich artistiek uit te drukken net zo menseigen als de behoefte om getuige te zijn van wat een kunstenaar overdraagt.

Bezuinigingen zijn mogelijk en streng beoordelen is altijd geboden. Maar zonder ontzag voor heilige huisjes, en steeds in dienst van de kwaliteitsbewaking, niet omdat kunst nodeloos zou zijn of voorbehouden aan een beperkte groep die er best zelf voor kan betalen. Wie, zonodig met een van de vele gemeentelijke voordeelpassen, musea bezoekt, voorstellingen, concerten of evenementen als het Filmfestival Rotterdam, ervaart hoe een gevarieerd publiek massaal leeft met kunst. Kunst sluit niemand buiten, iedereen mag erbij.