Erbij horen werd vervangen door jezelf zijn

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: de behoefte aan een nationale identiteit.

Nederland is op zoek naar zichzelf. Wie is de Nederlander, waar staat Nederland voor, wat betekent het om Nederlands te zijn? Deze vragen voeren nu al bijna tien jaar de boventoon in de politiek, de media en de wetenschap.

Er is een canon van de vaderlandse geschiedenis ontwikkeld en in Arnhem zal een Nationaal Historisch Museum worden gebouwd. In de Grondwet zal worden vastgelegd dat Nederlands onze ‘officiële taal’ is en er wordt een preambule geschreven waarin de ‘belangrijkste kernwaarden’ van ons land staan verwoord. In het onderwijs zijn lessen burgerschap geïntroduceerd en voor immigranten zijn inburgeringscursussen verplicht gesteld. Ondertussen stemt het televisiekijkend publiek graag af op programma’s als Ik hou van Holland en Wat vindt Nederland?. En vorige week nog stelde het CDA voor om aan alle overheidsgebouwen een Nederlandse vlag te hangen – als symbool van nationale eenheid.

Waar komt deze behoefte aan een gedeelde nationale identiteit vandaan? De meest gegeven verklaring is dat er een breed gedeelde onvrede heerst over de multiculturele samenleving. Pim Fortuyn bracht die onvrede in 2001 voor het eerst aan het licht. Te lang had de overheid onder het mom van culturele verdraagzaamheid de gespannen verhouding tussen autochtonen en allochtonen weggewuifd, luidde zijn oordeel.

Die kritiek vond enorme weerklank onder de bevolking. Aanpassing aan de ‘dominante cultuur’ werd al gauw het politieke devies. Daarmee kwam ook de nationale identiteit prominent op de agenda te staan. „Het integratievraagstuk is een identiteitsvraagstuk geworden”, schrijft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in zijn rapport Identificatie met Nederland (2007).

Maar de roep om een sterke gemeenschappelijke identiteit is niet uitsluitend terug te voeren op de komst van een grote groep immigranten. Ook een aantal andere fundamentele maatschappelijke en filosofische ontwikkelingen hebben eraan bijgedragen. Die ontwikkelingen zijn zeer verschillend van aard, maar hebben gemeen dat ze de wereld allemaal op hun eigen manier onvoorspelbaarder, diffuser en veranderlijker hebben gemaakt – in positieve en negatieve zin. Daardoor hebben ze de behoefte aan houvast, geborgenheid en groepsgevoel aangewakkerd. In het recent verschenen rapport Vertrouwen op democratie (2010) geeft de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) een verhelderend overzicht van de vijf belangrijkste tendensen.

Ten eerste: de individualisering. Tot en met de jaren 50 van de vorige eeuw was Nederland onderverdeeld in een katholieke, protestantse en socialistische zuil. Mensen leefden strikt gescheiden van elkaar in een sociaal isolement. De zuil bepaalde met wie je omging, op welke school je zat, welke krant je las en op welke partij je stemde – en gaf zo een gevoel van toebehoren en houvast. Vanaf de jaren zestig werd die structuur echter als te beklemmend ervaren en daarom volledig afgebroken ten gunste van het individu. ‘Erbij horen’ werd vervangen door ‘jezelf zijn’.

Deze ontwikkeling is door de Nederlandse filosoof Ad Verbrugge (1967) ooit kernachtig getypeerd als de „subjectivering van de verhouding tot de ander”. Daarmee bedoelde Verbrugge dat niet langer groepsnormen bepalend waren voor sociale relaties, maar de eigen belevingswereld: „Het eigen gevoel, de eigen mening, de eigen wil en de eigen zin traden op de voorgrond. Het ging erom je persoonlijke natuur niet langer te ‘onderdrukken’ door een van buiten af opgelegde moraal. […] Niet burgerlijk zijn en voor jezelf opkomen werden maatschappelijke idealen”, aldus Verbrugge.

Deze subjectivering van de sociale verhoudingen had een logisch bijeffect: ontideologisering. Iedere zuil werd immers bijeengehouden door haar eigen politieke ideologie – een samenhangend stelsel van ideeën over hoe de maatschappij en het leven dienden te worden ingericht. Door de ontzuiling, en later door de val van de Berlijnse Muur, nam de relevantie van dit soort ideologieën sterk af – door de Franse filosoof François Lyotard (1924-1998) ook wel „het einde van de Grote Verhalen” genoemd. Niet alleen de sociale verhoudingen werden geïndividualiseerd, maar onze denkwijze ook: religie en ideologie moesten plaatsmaken voor een zelfgekozen en fragmentarischer wereldbeeld. Zo ging het geloof in een gedeelde waarheid grotendeels verloren.

De individualisering en ontideologisering werden beide als een enorme bevrijding ervaren, maar het verlies van een gedeelde waarheid moest wel worden gecompenseerd. Besturen zonder richtinggevende criteria is immers onmogelijk: er moeten maatstaven zijn op grond waarvan beslissingen kunnen worden genomen. Die maatstaven vond men in de economie. Zo ontstond de derde belangrijke ontwikkeling: de economisering van het publieke bestuur. Begrippen als effectiviteit en efficiency, winstgevendheid en controleerbaarheid, kostenbesparing en keuzevrijheid namen de functie van de levensbeschouwing over. De overheid ‘vermarktte’ haar taken en ging steeds meer functioneren als een bedrijfstak.

Volgens Ad Verbrugge leidde dat tot een verdere fragmentatie van de samenleving en uitholling van de gemeenschapszin: „De maatschappelijke sectoren waar de overheid zich uit terugtrekt, raken hun oorspronkelijke politiek-morele betekenis kwijt. […] Het ‘overleven’ in een globaliserende wereld van markt en strijd is in zijn abstracte vorm als hoogste principe boven het goede leven geplaatst”, schrijft hij. Simpeler geformuleerd: mensen werden in toenemende mate gezien als consumenten in plaats van als burgers, waardoor het dienen van het ‘algemene belang’ op de achtergrond raakte en de bevrediging van individuele behoeften leidraad werd.

Dit alles voltrok zich tegen de achtergrond van twee overkoepelende ontwikkelingen: de mondialisering en de medialisering. Door de eenwording van Europa, in politieke en economische zin, nam de betekenis van landsgrenzen af. Een deel van de nationale autonomie werd overgeheveld naar een supranationaal parlement in Brussel. En door de opkomst van de massamedia – van televisie tot het internet – drong ook de rest van de wereld zich in toenemende mate aan ons op. Via een non-stop informatiestroom werden mensen voortaan op de hoogte gehouden van alles wat er in de wereld gaande was – van aardbevingen op Haïti tot verkiezingen in Iran. De democratie werd een mediacratie en de cultuur een beeldcultuur.

Deze vijf ontwikkelingen – individualisering, ontideologisering, economisering, mondialisering en medialisering – hebben een enorme impact gehad. Zoals politiek commentator Marc Chavannes het samenvatte: mensen zijn „individualistischer geworden, meer in de rol van klant gedrukt, in een wijd openstaande wereld, zonder ideologische schuilplaatsen maar permanent opgeschrikt door informatie over alles en iedereen.” Dat heeft vruchtbare grond gekweekt voor de zucht naar een gemeenschappelijke identiteit die de hedendaagse politiek zo kenmerkt. De op zichzelf aangewezen consument die woont in een wijde wereld zonder waarheid heeft behoefte aan een duidelijk afgebakende gemeenschap die geborgenheid biedt middels een gedeelde moraal.

De stormachtige opkomst van de PVV hoeft in die zin dan ook niet te verbazen. Die partij neemt namelijk op precies deze vijf terreinen een zeer duidelijke positie in. Ze geeft weerwoord aan de individualisering door de moraal van de meerderheid boven de vrijheid van het (allochtone) individu te plaatsen; ze vult de ideologische leegte door de nationale cultuur tot absolute norm te verheffen; ze bestrijdt, net als de SP, de economisering van het publieke bestel; ze neemt uitgesproken stelling tegen mondiale instituties zoals ‘superstaat Europa’ én ze cultiveert als geen ander het wantrouwen en cynisme die door de massamedia worden gewekt.

Het is dus ook niet onlogisch dat de PVV juist Almere heeft uitgekozen als gemeente om voor het eerst aan de gemeenteraadsverkiezingen mee te doen. Dat heeft vermoedelijk niet zoveel te maken met het feit dat de partij alleen daar „voldoende geschikte kandidaten” kon vinden, zoals PVV-leider Wilders zei. De lijsttrekker in Almere, Raymond van Roon, is nota bene niet eens nieuw: hij zit al drie jaar in de Tweede Kamer.

Nee, de uitverkiezing van Almere is waarschijnlijk eerder gerelateerd aan de bevolkingssamenstelling van de stad. In Almere wonen namelijk relatief veel mbo’ers met een modaal inkomen, die de drukte van de grote stad zijn ontvlucht om een rustiger bestaan in een kleinere gemeenschap op te bouwen. Ze zijn gezagsgetrouw en weinig kosmopolitisch, hechten aan gemeenschapszin, hebben grote weerzin tegen bureaucratie en kijken veel (commerciële) televisie. Je zou haast zeggen: de prototypische Nederlander dus. Terwijl de rest van het land zich afvraagt wie hij is, heeft de PVV hem al gevonden.

Morgen verschijnt het boek Dus ik ben – Een zoektocht naar identiteit van Stine Jensen en Rob Wijnberg. Daarin onderzoeken zij de filosofische wortels van de belangrijkste hedendaagse zelfdefinities.