De ontzetting in Chili slaat om in boosheid

De aardbeving in Chili heeft vooral de armen en de kuststreek getroffen. De kritiek op de overheid van het voorbeeldland neemt toe onder de bevolking.

Een geschiedenis van aardbevingen is nog geen garantie voor effectief overheidsoptreden. Misschien was Chili toch minder goed voorbereid op de ramp dan werd gedacht. Dat idee vat post onder de getroffen inwoners, zo beschrijven verslaggevers van de International Herald Tribune vanuit Santiago.

De aardbeving van zaterdagochtend heeft de ongelijkheid in het Zuid-Amerikaanse voorbeeldland blootgelegd. Chili is relatief ontwikkeld, maar kent tegelijkertijd vele arme stedelijke en rurale gebieden. „Het zijn de armste Chilenen die het dichtst bij het epicentrum wonen”, zegt Caroline Bank, een in Chili geboren sociologieprofessor aan het Brooklyn College in New York, tegen de Amerikaanse krant.

Vooral de kust blijkt zwaar getroffen door de vloedgolven na de aardbeving van 8,8 op de schaal van Richter. In de kustplaats Constitución, 300 kilometer onder Santiago, wordt volgens berichten inmiddels gesproken van 500 doden, zo meldt persbureau Reuters. Dat zou meer dan de helft zijn van het totale dodental dat geleidelijk is opgelopen tot 795.

Het water overviel de kustbewoners. De regering bood zondag al excuses aan voor het uitblijven van een tsunami-alarm. „Niemand is gekomen om ons te waarschuwen”, zei de 28-jarige Alejandra Jara, inwoner van het vissersdorpje La Pesca even boven Constitución tegen Reuters. Degenen die de heuvels in vluchtten, overleefden. Wie bleef, was verloren.

„Dorpen zijn bijna verdwenen”, zei Paula Saez van hulporganisatie World Vision na een helikoptervlucht boven het kustgebied tegen de International Herald Tribune. „Er is niets meer. Ik kan niet geloven dat dit is gebeurd.”

Op de Chileense televisie zagen reporters van het Franse persbureau AFP gisteren hoe twee legerhelikopters in Constitución landden met 2,5 ton aan hulpgoederen: tonijn in blik, theezakjes en pallets met melk. Hongerige en dorstige inwoners zwermden om de militairen heen.

De ontzetting onder de Chilenen maakt plaats voor boosheid. De regering krijgt steeds meer kritiek wegens de trage of uitblijvende noodhulp, de plunderingen en het geweld op straat. „Het is één ding om een brood te stelen, maar iets anders om er met een plasma-tv vandoor te gaan”, zei Hernán Bueras, een gepensioneerde automonteur tegen een verslaggever van de Spaanse krant El País bij een tankstation op weg van Concepción naar Santiago.

President Bachelet riep gisteren op tot kalmte. In de regio rond Concención zouden nu 14.000 militairen zijn om de orde te herstellen – voor sommige Chilenen een wrange herinnering aan de almacht van het leger tijdens het regime van dictator Augusto Pinochet (1973-1990). De situatie in Concepción zou volgens Bachelet inmiddels „onder controle zijn”, zo meldde de BBC.

De scheidende president, die volgende week plaats maakt voor opvolger Sebastián Piñera, verweerde zich gisteren ook tegen de kritiek over de trage noodhulp. Bachelet zei dat eerst geïnventariseerd moest worden, waar de nood het hoogst is. En dan is er nog het probleem van het transport van hulpgoederen via de verwoeste infrastructuur. „We hebben de spullen, maar hoe krijgen we ze bij de mensen als er geen bruggen en wegen zijn”, zo citeert persbureau Associated Press de president.

Overzicht van de schade heeft ze niet. „Ik kan alleen zeggen dat het veel zal zijn.”