De gevangene van Wognum

Een interessante paradox duikt op in de analyse die rechtsgeleerde Michiel Scheltema maakte over de oordelen van toezichthouders AFM en DNB over oud-DSB-bestuurder Gerrit Zalm. DNB vond dat Zalm mocht blijven, AFM vond van niet.

Dat Zalm niet kon blijven zitten als bestuurder van ABN Amro, kwam volgens de AFM mede omdat Zalm binnen DSB onvoldoende tegenwicht had geboden aan de andere bestuurders (Dirk Scheringa en zijn compagnon Hans van Goor). Volgens de AFM had Zalm meer de confrontatie moeten zoeken met Scheringa en Van Goor. Bijvoorbeeld door te dreigen met het inroepen van de hulp van de toezichthouders, of zelfs door te dreigen met opstappen. Stevige signalen aan Scheringa en co, zou je zeggen.

Scheltema noemt die benadering van de AFM echter „niet overtuigend”, maar geeft daar een wel heel bijzondere reden voor. „DNB had de onjuiste bestuursstructuur bij de vergunningverlening geaccepteerd”, schrijft Scheltema. Hij doelt daarbij op de verlening van de bankvergunning aan DSB in december 2005 door DNB.

Pogingen door DNB de dominante positie van Scheringa en Van Goor te doorbreken, waren vruchteloos gebleken, waarmee het „in een dergelijke situatie, waarin de machtspositie van anderen zo sterk is, lastig van buiten af te bepalen is welke koers voor Zalm het meest effectief zou zijn”, aldus Scheltema. Daar komt bij dat DNB vlak voor Zalms aanstelling overwoog een stille curator aan te stellen bij de bank in Wognum, bevestigt Scheltema. Aan Zalm dus de taak de puinhopen van binnenuit op te ruimen, zonder daarvoor de feitelijke macht te kunnen verwerven.

Daarmee komt de diskwalificatie van de AFM door Scheltema en uiteindelijk ook door demissionair minister De Jager (Financiën, CDA) in een ander daglicht te staan. De AFM had misschien wel gelijk dat Zalm onvoldoende tegenwicht bood, maar dat was juridisch gezien irrelevant omdat DNB al akkoord gegaan was met de onjuiste structuur. De AFM kon roepen wat ze wilde, de facto zat Zalm gevangen in een structuur waar hij niet goed kón functioneren, maar die wél de goedkeuring had van DNB.

Scheltema is nog bezig met zijn bredere onderzoek naar de gang van zaken bij DSB. Het hoeft niemand te verbazen als de pijlen zich daarbij meer op de rol van DNB richten.

Dat brengt ons ten slotte bij Zalm zelf. Die moet geweten hebben dat hij bij een bank binnenkwam waar hij moeilijk dingen zou kunnen veranderen, terwijl iedereen wist dat daar wel alle aanleiding toe was. Zalm had moeten doen wat een gevangene ook doet bij een onhoudbaar regime: uitbreken.

Egbert Kalse