Beheer terug naar ministerie

Laat scholen doen waarvoor ze zijn: lesgeven. Dan moet de nadruk weer komen te liggen op goede leraren en niet op management, stelt Ton van Haperen. Stop het dalende niveau.

Over enkele weken, als de campagnes voor de landelijke verkiezingen beginnen, zal er weer lippendienst aan de kenniseconomie worden bewezen en de meeste partijen zullen pal staan voor onderwijs. Maar wat voor onderwijs? Weten ze wel hoe slecht het ervoor staat en hoe dat komt?

Dertig jaar geleden, net als nu, bleken de onderwijsuitgaven onbeheersbaar. Het antwoord heette toen ombuigen. Omdat het overgrote deel van de uitgaven uit lonen bestaat, begon de operatie met een daling van de aanvangssalarissen van leraren, gevolgd door een loskoppeling van het opleidingsniveau. Toen dat varkentje was gewassen, kregen onderwijsorganisaties een financieel zelfstandige status, de lumpsumfinanciering.

Vanaf dat moment lagen de overheidsuitgaven aan de ketting en begon het kwaliteitsverlies: het opleidingsniveau van docenten daalde gestaag en door schaalvergroting nam de aandacht voor organisatiezaken toe.

Het duurde even, maar uiteindelijk krijgen de gevolgen een gezicht: de prestaties worden minder, de aansluiting tussen algemene vorming en vervolgonderwijs verloopt moeizaam.

Over dit falen ontstaat brede maatschappelijke ongerustheid en de politiek ontwaakt. Staatssecretaris Van Bijsterveldt wil strengere examennormen en minister Plasterk maakt geld vrij voor verhoging van het opleidingsniveau van docenten. Het parlement steunt een motie van Kamerlid Hamer: Nederland moet terug in de mondiale onderwijs-topvijf.

Mooi, deze politieke inspanning, maar nogal gratuit, want de bekostiging en organisatie blijven zoals ze waren. Bestuurders onttrekken nog steeds geld aan onderwijs, om daar hun reservefondsen mee te vullen. Schoolorganisaties prikkelen leraren niet tot presteren in de klas, maar tot doorgroeien in beheertaken. Dus als een bewindspersoon in de beurs tast voor kwaliteitsverbetering, lost dat geld op in meer bureaucratie uitgevoerd door docenten die in ruil daarvoor minder lesgeven.

Hoe nu verder? Over tien jaar heeft dit land vier miljoen bejaarden, neemt het beslag op de zorg toe en werkt het onderwijs met drie miljoen managers, leerlingen en leraren. Gaat de overheid dit totale onderwijs onderhouden? Of maken we onderscheid tussen algemene vorming en opleidingen die dicht tegen de arbeidsmarkt liggen?

Het basis- en voortgezet onderwijs zullen publiek gefinancierd blijven. Maar hoe gaat dat? Zou het niet handig zijn om organisatietaken en budgetbeheer over te hevelen naar het ministerie, zodat scholen zich bezighouden met waar ze goed in zijn, onderwijs? En wat moeten kinderen eigenlijk leren in die algemene vorming? Gaan we dat vastleggen in leerstandaarden, die we regelmatig nationaal toetsen? En wat mogen kinderen daar bovenop leren? Is dat dan aan ouders, leerlingen en scholen? En wat doen we met de leraren? Sinds het McKinsey-onderzoek uit 2007 (How the world’s best performing school systems come out on top) weten we dat de kwaliteit van leraren en onderwijsprestaties onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Leraren worden goed dankzij een strenge selectie voor een competitieve opleiding. Na een bevoegdheid ontwikkelen ze zich in de inhoud die ze onderwijzen en het ambacht dat ze bekleden. Helaas is de Nederlandse werkelijkheid juist tegengesteld aan dit McKinsey-ideaal.

Het Nederlands onderwijs moet zich richten op presteren van leraren en van leerlingen. Maar dat is strijdig met de gevestigde belangen van de onderwijsorganisaties en schoolbesturen. Dus straks liever geen verkiezingsprogramma’s die vol staan met obligate teksten over ‘het belang van de kenniseconomie’, maar heldere keuzes ter bevordering van het leren van kinderen: no pain, no gain.

Ton van Haperen is leraar, lerarenopleider en publicist.