Goodman noemt teruggavebeleid steeds bureaucratischer

Volgens Simon Goodman, kleinzoon van de joodse kunstverzamelaar Fritz Gutmann, doet Nederland weinig moeite om zijn familie te compenseren voor de verloren kunst.

Simon Goodman, de erfgenaam van de joodse kunstverzamelaar Fritz Gutmann, is ontevreden over de manier waarop de Nederlandse staat omgaat met zijn verzoeken om teruggave van delen van zijn familiebezit. Volgens Goodman is het teruggavebeleid van de overheid in de laatste vijf jaar bureaucratischer geworden. Ook klaagt hij dat Nederland zijn familie niet wil compenseren voor kunstvoorwerpen die verloren zijn gegaan terwijl ze in beheer waren van de Nederlandse staat.

In 2002 gaf de Nederlandse overheid ‘op morele gronden’ 233 kunstwerken terug aan de nazaten van Fritz en Louise Gutmann. De verzameling van de bankiersfamilie uit Heemstede, die vooral uit kunstnijverheidsvoorwerpen bestond, was in de Tweede Wereldoorlog opgeëist door de nazi’s. Na de oorlog viel de verzameling in handen van de Nederlandse staat.

De teruggave van de omvangrijke collectie betekende, net als bij de zaak Goudstikker, voor veel Nederlandse musea een aderlating. Toen delen van de verzameling in 2002 geveild werden, kocht onder meer het Rijksmuseum belangrijke stukken terug.

Op dit moment is een tweede claim van de erven Gutmann in behandeling bij de Restitutiecommissie. Door de familie worden dertien objecten teruggeëist, waaronder een schilderij, een beeldhouwwerk en elf antiekstukken. Volgens Gutmanns kleinzoon, de in Californië wonende Simon Goodman (hij veranderde zijn naam), heeft zijn familie bewijs dat nog ruim twintig andere kunstvoorwerpen uit de Gutmann-collectie na de oorlog aan Nederland zijn teruggegeven. Maar omdat van die werken geen spoor is teruggevonden in de Nederlands Kunstbezit-collectie, en ze daardoor niet over een zogeheten NK-nummer beschikken, worden die claims niet aan de Restitutiecommissie voorgelegd.

Volgens Goodman heeft zijn familie de afgelopen vijf jaar te maken gehad met toenemende bureaucratie. „Zelfs als we wél de NK-nummers van de werken hadden achterhaald, zadelde de Restitutiecommissie ons steeds weer op met nieuwe verzoeken om documentatie. Terwijl in de meeste gevallen uit hun eigen dossiers is gebleken dat mijn grootvader de laatste eigenaar was voordat Nederland bezet werd.”

Daarbij, zegt Goodman, is de Restitutiecommissie steeds terughoudender in het toegankelijk maken van haar documentatie. „Daardoor wordt mijn familie sterk benadeeld.”

Een woordvoerder van de Restitutiecommissie zegt de klacht van bureaucratie niet te herkennen. „Wij behandelen zaken op dezelfde manier als altijd. De procedures zijn niet veranderd. De Restitutiecommissie doet zelf actief onderzoek, maar van de claimant wordt ook gevraagd of hij documentatie kan overleggen.”

Ook het ministerie van OCW ontkent dat de Nederlandse staat zijn beleid heeft gewijzigd. „Het ontbreken van een NK-nummer in een restitutieverzoek is voor het ministerie geen reden om het niet in behandeling te nemen”, zegt een woordvoerder. „Wel moet voldoende duidelijk zijn welke kunstvoorwerpen uit de NK-collectie men claimt, voordat een verzoek aan de Restitutiecommissie kan worden voorgelegd.”

Eind januari ontving Goodman een brief waarin Ronald Plasterk, de toenmalige minister van Cultuur, hem meldde dat een van de geclaimde werken, een Perzisch tapijt, zich niet meer in de Nederlands Kunstbezit-collectie bevindt. Het werk blijkt in 1985 uit de collectie verwijderd te zijn, omdat het onherstelbaar beschadigd was.

Volgens Plasterk kan hiervoor „geen enkele compensatie gegeven worden”. Ook daarover is Goodman verbolgen. Want in 2002, zo stelt hij, kreeg zijn familie nog wel financiële compensatie voor circa vijftien kunstvoorwerpen die verloren waren gegaan terwijl ze in beheer waren van de Nederlandse staat.

„De Restitutiecommissie kan zich niet uitspreken over claims die niet aan haar zijn voorgelegd”, reageert Campfens. „Dit is een zaak die speelt tussen het ministerie van OCW en Goodman. Als er een uitspraak over deze zaak gewenst zou zijn, zou de minister die aan ons moeten voorleggen.”

Volgens de woordvoerder van het ministerie voorziet het restitutiebeleid niet in financiële compensatie voor „cultuurgoederen die door omstandigheden (diefstal, teloorgang, vermissing) uit het bezit van de staat zijn geraakt”. Het is bekend dat 10 tot 15 procent van de NK-collectie verloren is gegaan. Dat in 2002 wél compensatie is betaald heeft volgens het ministerie te maken met de context van die specifieke zaak. „Daarbij speelde een belangrijke rol dat er een besluit tot teruggave was genomen over de claim. Daarna bleek dat deze beslissing niet volledig kon worden uitgevoerd, omdat bij de teruggave pas bleek dat een goed ontbrak.”

En dan speelt er nog een andere geldkwestie. In 1954 betaalde de familie Gutmann ruim 92 duizend gulden aan de Nederlandse staat om bijna 200 schilderijen en antieke voorwerpen terug te kopen. Voor andere werken ontbrak het de familie aan geld, deze werden door de Nederlandse staat in 2002 teruggegeven aan de familie.

Volgens Goodman waren de kunstwerken in 2002 sowieso, maar dan kosteloos, teruggegeven. Daarom diende hij in 2005 een verzoek in voor financiële compensatie, omgerekend een bedrag van 630 duizend euro. Maar ook daarop kreeg hij van de minister nul op het rekest. „Het restitutiebeleid is steeds gericht op feitelijke teruggave van cultuurgoederen”, reageert de woordvoerder van OCW. „Het huidige beleid voorziet niet in een compensatie van het bedrag dat de familie in 1954 heeft betaald.”

Goodman is hierover zeer verontwaardigd. „De rechter concludeerde in 1954 dat mijn vermoorde grootvader op de een of andere manier had geprofiteerd van de gedwongen verkoop aan de nazi’s. Terwijl de opbrengst vervolgens werd gestolen door een ‘Verwalter’. Daarom moest de familie in 1954 haar eigen bezittingen terugkopen. Tot de dag van vandaag beweert Nederland dat het niet heeft geprofiteerd van deze transactie.

„De vorige verantwoordelijken, staatssecretaris Van der Laan en minister Van der Hoeven, hebben de kwestie uitgesteld totdat ze hun post hadden verlaten. En nu is Plasterk afgetreden.” Maar ook zijn opvolger kan een claim verwachten. Goodman: „Mijn familie moet recht worden gedaan.”