De gemeente wil oplossingen, geen problemen

In de gemeenten is men vier jaar tot elkaar veroordeeld. Daarom móéten partijen hun lokale problemen wel gezamenlijk oplossen, stelt Jeroen Slot. De gemeente als landelijke proeftuin.

De raadsverkiezingen zijn meer dan een opiniepeiling voor de Kamerverkiezingen van 9 juni. Gemeenten zijn de proeftuin voor beleid en voor vernieuwing. Grote gemeenten worden vaak geassocieerd met problemen. Maar vergeten wordt dat de oplossingen daarvoor vaak in diezelfde gemeenten worden bedacht. Daarbij is het een voordeel dat de ideologische verschillen tussen partijen er op lokaal niveau minder toe doen. Bovendien ontbreekt de uitweg van tussentijdse verkiezingen: de uitslag van woensdag blijft vier jaar staan.

Wie naar de partijprogramma’s kijkt, ziet in de eerste plaats overeenkomsten. Overal is er discussie over koopzondagen, inburgering, beveiligingscamera’s, toezichthouders en zeggenschap in de publieke sector.

Een belangrijk twistpunt zijn de lokale lasten. Alle grote partijen zijn het erover eens dat bezuinigingen onontkoombaar zijn. En zonder uitzondering vinden partijen dat er op ambtenaren moet worden bezuinigd. Iets concreter worden de partijen als ze zeggen waarop zij niet willen bezuinigen: op armoedebeleid of op onderwijs. Of waarvoor zij juist meer geld willen uittrekken, zoals voor gratis openbaar vervoer voor 65-plussers.

Duidelijk is dat CDA, VVD en SP lastenverzwaring voor burgers afwijzen. Dat geldt ook voor D66, al lijkt die partij sommige tarieven wel te willen verhogen zoals de parkeertarieven in Amsterdam. PvdA en GroenLinks sluiten lastenverzwaring (voor hogere inkomens) niet uit als die nodig zijn om voorzieningen voor de laagste inkomens overeind te houden. De PVV, die alleen in Den Haag en Almere meedoet, wil het mes zetten in subsidies in de culturele sector.

Veel kiezers zullen voldoende hebben aan deze verschillen om hun voorkeur te bepalen, maar lokale omstandigheden zullen toch voor een deel bepalend zijn, al was het maar op welke linkse of rechtse partij zij hun stem uitbrengen.

In Utrecht lijkt de campagne vrij vlak te verlopen. Na de bestuurswissel, waarbij GroenLinks uit het college van B en W trad en plaatsmaakte voor de VVD, lijkt het dispuut over de bereikbaarheid en de luchtkwaliteit voorlopig beslecht. Aansprekende lokale politici ontbreken en daarom gaat het minder over de door GroenLinks en SP voorgestelde terugkoop van het gemeentelijk vervoerbedrijf dan over de door burgemeester Wolfsen voorgestelde maatregelen rond veiligheid in wijken en prostitutie.

In Rotterdam is al enkele jaren sprake van een instabiele situatie. Pastors van Leefbaar Rotterdam heeft een mislukt landelijk avontuur achter de rug. Zijn partij verliest, door het stempel ‘goedgekeurd door de PVV’, een deel van zijn lokale karakter. De Rotterdamwet als leidend beginsel heeft nagenoeg afgedaan, behalve voor Leefbaar Rotterdam. Inhoudelijk verschillen de ambities van Pastors en PvdA-voorman Schrijer niet eens zo sterk, zo bleek uit een tweegesprek in De Pers. Maar toon en stijl liggen mijlenver uiteen.

In Den Haag zou de campagne kunnen gaan over de vraag in hoeverre hoogbouw langs de kust toelaatbaar is. Hoe belangrijk dat ook moge zijn, in feite gaat het in Den Haag maar om één vraag: hoe groot wordt de PVV? Dat leidt tot een heel andere campagne.

Of ze willen of niet, alle partijen moeten zich verhouden tot de PVV. Dat genereert aandacht en bevordert de opkomst. Het zal ook de uitslag beïnvloeden doordat sommige kiezersgroepen, zoals perifere rechtse kiezers en allochtonen, meer gemotiveerd zijn om te stemmen. En Wilders zal de opstelling van de PVV na 3 maart volledig in dienst stellen van de komende Kamerverkiezingen.

In Amsterdam zijn voldoende onderwerpen om de verkiezingen lokaal te houden: de Noord-Zuidlijn, de ontwikkeling van het Wallengebied, de kwaliteit van het onderwijs, de Zuidas, de zorgen om de opgroeiende stadsjeugd, de noodzaak om meer (koop)woningen te bouwen. Maar in feite ontlopen de gevestigde partijen elkaar qua toon en inhoud op deze onderwerpen niet zoveel.

Net als Utrecht is het de hoofdstad de afgelopen jaren relatief goed gegaan. In de campagne speelt sterk mee of de PvdA haar dominante positie weet te behouden. In 2006, na de moord op Van Gogh, kon PvdA-lijsttrekker Lodewijk Asscher, gesecondeerd door burgemeester Cohen en wethouder Aboutaleb, nog een bonus incasseren. Nu moet het team-Asscher duidelijk maken waarin ‘zijn’ PvdA verschilt van zijn matig populaire Haagse partijgenoten. Hij probeert dat door over mentale hindernissen als ‘het is nu eenmaal zo’ of ‘daar ga je niet over’ heen te stappen. Hindernissen die goeddeels door zijn sociaal-democratische voorgangers zijn opgeworpen. Die vernieuwende aanpak wordt door voor- en tegenstanders gewaardeerd of het nu over de Wallen, het onderwijs of inburgering gaat.

Hierin schuilt het belang van lokale politiek. In gemeenten is veel meer gelegenheid om in samenspraak met burgers oplossingen te vinden voor problemen en beleid op zijn werkelijke waarde te toetsen. Kiezers zijn geen luie toeschouwers die niet geïnteresseerd zijn in lokale oplossingen voor grote vraagstukken. De belangstelling voor lokale varianten van de stemwijzer bewijst dat.

De Amerikaanse wetenschapper Markus Prior schreef in 2007 het boek Post-Broadcast Democracy: How Media Choice Increases Inequality in Political Involvement and Polarizes Elections over de gevolgen van fragmentatie in het medialandschap voor politiek en democratie. Fragmentatie in mediagebruik leidt tot groeiende verschillen in politieke betrokkenheid tussen bevolkingsgroepen, een lagere opkomst en gepolariseerde verkiezingsuitslagen, zo laat hij zien voor Amerika. Het aanbod is zo toegenomen dat mensen alleen zien wat hun interesseert en de rest ontlopen. Lokale tv-zenders, lokale kranten en interessante lokale campagnes kunnen dat voorkomen.

In Nederland stijgt het vertrouwen in de politiek als de verkiezingen achter de rug zijn. Groeiende wisselwerking tussen lokale en landelijke politiek kan ervoor zorgen dat dat zo blijft.

Jeroen Slot is hoofd onderzoek beleidsinformatie bij de dienst Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam.