Zeldzame autosoorten hoeven niet te worden gered

Saab hoeft niet te worden gered want Europa heeft al te veel automerken. De leden van de Saabclub houden met vernuft de klassiekers op de weg.

Het hoogtepunt van de vergadering van de Limburgse afdeling van de Saabclub in Spaubeek is de rondvraag. Dan gaan de leden kwartetten met stukjes sloop-Saab. De portieren, deurknoppen, carburateurs kunnen worden getransplanteerd op exemplaren die nog wél rijden.

„Wie heeft een zilvergrijze kofferdeksel van de 900 Sedan, kleur 172?”, vraagt een man.

Aan het hoofd van de grote U-vormige vergadertafel reageert Ton Ramaekers. Hij heeft een grijze missionarissenbaard en geeft college over de Saab-modellen vanaf 1949 tot nu. Met alle zwakke plekken en verbeteringen. Hij laat zijn geestesoog dwalen door zijn eigen schatkamer van slooponderdelen. Modelletje 92, 93, 96 of 900? Hij heeft het kofferdeksel niet. Later kan hij wel een benzinedop voor de Saab 99 en de zonneklep voor de bijrijder van een Saab cabrio leveren.

Elke maand komen deze Saabrijders bijeen, uit Limburg, België en ook wel het aangrenzende Duitsland. Twee leden komen zelfs uit Gorkum en Zaltbommel. In het onverwarmde zaaltje van het gemeenschapscentrum telde ik drieëntwintig mannen van middelbare leeftijd en ouder. Ik ontmoette geen dokters, advocaten of commissarissen, de doelgroep van Saab, maar wel mensen met technische handigheid. Een conciërge bij een vmbo-school, die Saab op zijn kaartje heeft staan en regelmatig naar Zweden rijdt. Een bedrijfseconoom die veel Saabs heeft verzameld en een gepensioneerd melkman die thuis in Belfeld een reparatieruimte beschikbaar stelt. Zij kunnen hun hobby betalen, omdat ze zelf sleutelen. De tweedehands waarde van een Saab houdt niet over, dus voor een paar duizendjes krijg je al een limousine die tien jaar geleden het twintigvoudige kostte. Zo’n oude auto gaat regelmatig kapot, maar met reparaties houdt hij het nog honderdduizenden kilometers vol. Bij grote problemen gebruik je je wissel-Saab. Je moet er wel de ruimte voor hebben .

De Saabclubvergadering waar ik bij was, werd vorige week gehouden op de dag van de definitieve eigendomsoverdracht van Saab aan het kleinere Nederlandse Spyker. Slechts een paar leden waren vorige maand naar een demonstratie voor het voortbestaan van de Saab in Muiden geweest. Uniek evenement, zo’n beschaafde flashmob op een parkeerplaats. „Al die individualisten bij elkaar. Ik kreeg er kippenvel van”, zei Clément Maussen die mij later in zijn achttien jaar oude Saab 9000 een eind op weg naar huis helpt. In andere landen werd ook gedemonstreerd. Voor het eerst dat niet alleen de werknemers maar ook de gebruikers actie voerden voor de redding van een zeldzame autosoort.

Het verbaast me dat hun bedes zijn verhoord. De kwalificatie ‘duurzaam’ is twijfelachtig voor dit automerk. Zeker, de Saab is een sierlijke klomp Zweeds staal dat niet gauw roest of verkreukelt. Maar het brandstofverbruik is er ook naar. Als de Europese Investeringsbank 400 miljoen euro uitleent aan zo’n fabriek, verwacht je op zijn minst een prototype dat veertig kilometer uit een liter benzine haalt. Maar Saab is zo’n conventionele, luxe benzineslurper waar de markt van is verzadigd. Het nieuwe prototype is bijna vijf meter lang en er komt ook nog een luxejeep. Het plan om de jaarlijkse productie in twee jaar van 21.000 naar 125.000 te laten stijgen, is dan nauwelijks geloofwaardig. De grote innovaties van dit merk, onder andere gescheiden remsysteem en bepantsering van de portiers, zijn van lang geleden. Misschien zijn financiers zo begaan met Saab omdat ze er zelf in rijden.

Zweden staat garant voor de lening. Elk land wil zijn automerken beschermen, zoals vroeger de scheepswerven, en dus zijn er teveel in Europa. Saab ontvangt niet rechtstreeks subsidie,maar wordt met een eigentijdse kaartenhuisconstructie gefinancierd. Dankzij de bluf van de Nederlandse eigenaar van het sportautofabriekje Spyker hoeft het merk niet meer aan China te worden verkocht. Waar autofabrieken verdwijnen, komt er vaak weinig voor in de plaats. Maar bij de leden van de Saabclub zit meer vernuft dan bij de gemiddelde autowerknemer. Ze hebben vaardigheden die schaars zijn. In een diapresentatie liet biologieleraar Geert Coolen zien hoe hij een weggeroeste klassieke Saab 96 omtoverde tot een glanzende mintgroene cabriolet. Met een versteviging van verwarmingsbuizen en zelf ontworpen en gelaste kokerbalken die beter zijn dan de originele. Helder en laconiek vertelde hij over de weggerotte bodemplaten die hij had moeten vervangen of dichtlassen. „De driedubbele plaat is de Achilleshiel van de 96”, verzucht Ramaekers nog eens als commentaar.

Aan uitbesteden doet Coolen ook. Het chroomwerk ging naar Maastricht. Het spuitwerk ging naar Johnny, die werkt achter een Belgische seksclub. „Heel strak”, stelt hij tevreden vast. Nog een paar van die auto’s en Coolen kan een fabriekje beginnen. Met zijn technische vaardigheid kan dit gezelschap heel wat klassiekers op de weg houden. Voor zo’n hobby is niet één miljard financiering nodig. De Europese Investeringsbank hoeft het merk niet te redden. Dat doet de Saabclub.