'Wij hebben geen Goethe, wij hebben de bamischijf'

In zijn toneelmarathon ‘Tuin van Holland’ waarschuwt Aus Greidanus voor de terugkerende rol van populisten in de Nederlandse geschiedenis.

„Alleen de nasibal en de bamischijf zijn typisch Nederlands. De rest hebben we bij elkaar gestolen”, zegt regisseur Aus Greidanus over de Nederlandse identiteit. Met zijn toneelgroep De Appel maakt hij er een toneelstuk over: Tuin van Holland.

Aanleiding was de gewraakte uitspraak van prinses Máxima in 2007: „De Nederlander bestaat niet.” Ook zat het Greidanus dwars dat Nederlandse toneelregisseurs altijd met buitenlands drama moeten werken: „De Duitsers, de Fransen en de Britten kunnen naar hun eigen voorouders kijken. Zij hebben Goethe, Schiller, Molière, Shakespeare. Wij zijn veel magerder bedeeld.” Verder viel het hem op hoe de heldhaftige, vaderlandse geschiedenis zoals hij die ooit kreeg, inmiddels is opgeblazen. „Bleken we 400 jaar niet slim maar sluw te zijn geweest.”

Greidanus geeft Máxima deels gelijk: „Als je de Nederlander onder de microscoop legt, vertoont hij geen wezenlijk verschil met de Spanjaard of de Argentijn. Maar als gedeeld groepsgevoel bestaat die identiteit wel degelijk. Mensen die samen emotioneel worden bij de geur van poffertjes, bij de intocht van Sinterklaas, de Elfstedentocht, het doelpunt van Van Basten, en een schaatser die de binnenbocht neemt.”

In drie historische drieluiken met een proloog en een epiloog laat Greidanus zien wat volgens hem de Nederlandse identiteit is: „Niets verrassends, hoor: de handelaar, de dominee, en de dijkgraaf die tegengestelde belangen hebben, en die toch door één deur kunnen. En altijd eerst uitrekenen wat het kost. Als je de Dalai Lama ontvangt en de Chinezen zijn daarover verdrietig, is het zaak eerst even te tellen: wat kost het ons als Balkenende hem niet de hand schudt, en Verhagen wel. Het gaat altijd over verdelen en verdedigen van ons bezit: wie krijgt wat, en waar haal je het weg? Wat dat betreft heerst de VOC-mentaliteit nog steeds.”

Een van de drieluiken behandelt drie belangrijke jaartallen in de Nederlandse Opstand, aan de hand van drie grote gebeurtenissen: de inname van Den Briel in 1572, de terechtstelling van raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt in 1619 en het lynchen van de broertjes De Witt in het Rampjaar 1672. „Aan de hand van drie politieke moorden bekijken wij een van de constanten in de Nederlandse geschiedenis: de relatie tussen volk en elite. Telkens weer staan er populisten op – vroeger waren dat de Oranjes – die het volk de vetste kluif beloven en een onderscheid maken tussen de ‘zuivere Nederlanders’, de hardwerkende, nuttige werkbijen die volk en vaderland dienen, en de ‘onzuivere Nederlanders’. Die laatste groep vullen ze steeds anders in: politieke tegenstanders of hele bevolkingsgroepen. Het volk laat zich vervolgens graag misleiden.”

Greidanus wil de populisten niet geselen. „Vergelijk het met De wolf en de zeven geitjes. Dat gaat niet over de slechtheid van de wolf. De wolf doet gewoon wat wolven doen. Het gaat over het gebrek aan waakzaamheid van de geitjes. Mijn boodschap is: geitjes, kijk uit voor wie je open doet.”