Toch nog erkenning

Onlangs overleed Frans Veldman, de grondlegger van de haptonomie. Toen ik me zo’n twintig jaar geleden voor de krant in de haptonomie verdiepte, wist ik niet dat hij deze therapie in z’n eentje had uitgevonden. Hij was toen 67 jaar en ik hoorde voor het eerst dat hij dertig jaar lang fysiotherapeut in Nijmegen was geweest.

In die tijd bouwde hij een hele theorie op die hij de haptonomie (hapsis is Grieks voor ‘tast’ en ‘gevoel’, nomos voor ‘wet’) noemde en volgens hem op wetenschappelijke inzichten was gebaseerd. De Vereniging tegen Kwakzalverij noemde het ‘baarlijke onzin’, maar er waren ook medici die Veldman steunden.

Haptonomen mochten patiënten aanraken – destijds een taboe in de psychotherapie. Veldman stichtte in Nijmegen een Academie voor Haptonomie, die een nogal sekte-achtig karakter kreeg en waar hij als een ongenaakbare goeroe heerste.

Eerst probeerde ik Veldmans magnum opus Haptonomie, wetenschap van de affectiviteit te lezen. Het bleek een ondoordringbaar boek vol pretentieuze orakeltaal. Nergens verwees hij naar concreet wetenschappelijk onderzoek. Oud-leerlingen vertelden me dat seksualiteit een belangrijke factor in het medische denken van Veldman en zijn bekende leerling Ted Troost was. Veldman gaf in zijn blootje demonstraties en bij Troost, die na een conflict voor zichzelf was begonnen, werden cursisten in het kruis gegrepen.

Ik begreep dat het tijd werd de meester zélf uitleg te laten geven. Hij ontving mij uiterst gereserveerd, maar ontdooide toen ik bereid bleek in onderbroek op zijn behandeltafel plaats te nemen. Zijn eerste handeling bestond uit een heftige kietelbeweging in mijn flanken. Ik schoot omhoog.

„U bent gespannen en kwetsbaar”, concludeerde hij.

Hij liet zijn hand kalm op de onderkant van mijn rug rusten en zei: „Verplaatst u zich met uw gevoel in mijn hand.”

„Moet ik aan uw hand denken?”

„Nee, niet denken.”

Denkloos bleef ik liggen.

„En verplaatst u zich nu eens in mijn pols.”

Zo moest ik mezelf geestelijk door zijn hele lichaam vervoeren. Eén keer onderbrak hij mijn tocht door me weer onverwacht in mijn zij te knijpen. „U bent al minder kwetsbaar geworden”, constateerde hij.

Ten slotte gaf hij me de opdracht „terug te keren naar uw eigen gevoel”. Hij kneep me nóg een keer keihard in mijn zij, en toen hij mijn pijnlijke grimas zag zei hij: „U bent weer kwetsbaar geworden door in uw gevoel terug te gaan.”

Na een aantal van deze behandelingen zou mijn kwetsbaarheid definitief verminderd zijn – mooi meegenomen. Hij vond dat ik nu al een ander mens geworden was. Ik zei dat ik dat niet zo voelde, maar hij corrigeerde me scherp: „U heeft nu een lach op uw gezicht.”

Toen hij enkele weken later mijn nogal kritische artikel las, ontstak hij in grote woede. We ontmoetten elkaar pas weer bij de Raad voor de Journalistiek. Hij verloor en ik heb hem nooit meer teruggezien. In Trouw las ik dat hij in Frankrijk meer erkenning had gekregen dan in Nederland. Hij leidde er gynaecologen en psychiaters op. Goed voor Frankrijk.

Het zou hem grote voldoening hebben geschonken als hij geweten had dat mijn dochter nog eens een haptonomische zwangerschapscursus heeft gevolgd.