Spelen in de regen

De Olympische Spelen in Vancouver waren deels al verpest voor ze goed en wel waren begonnen. De dood van de 21-jarige Georgische rodelaar Nodar Kumaritashvili, enkele uren voor de openingsceremonie, was een dieptepunt.

Opvallend snel trokken het IOC, het Canadese organisatiecomité Vanoc en de wereldrodelbond FIL de conclusie dat het slachtoffer zelf een fout had gemaakt. Snelheidssporten brengen risico’s met zich mee, die voor een deel onvermijdelijk zijn. Niettemin vereist het ongeluk een diepgaand onderzoek naar de oorzaak en naar de veiligheid van het Whistler Sliding Centre. Het is ook een aanbeveling voor het IOC om grenzen te stellen aan zijn adagium citius altius fortius (sneller, hoger, sterker).

De dood van de rodelaar had voor IOC-voorzitter Rogge reden moeten zijn om de Spelen niet het predicaat „excellent” mee te geven, wat hij vannacht toch deed. Wel bestempelde hij vorige week de weigering van de Nederlandse bobsleeër Edwin van Calker om met zijn viermansbob die baan af te dalen, omdat hij zich te onzeker voelde, terecht als „moedig en verstandig”. IOC-bestuurslid prins Willem-Alexander zei hetzelfde.

Er is meer misgegaan op deze Winterspelen. Voor een deel was dat te wijten aan het weer dat niet meewerkte. Sneeuw moest naar de pistes worden getransporteerd en de snowboarders streden in de stromende regen om de medailles. Het zijn geen beelden die passen bij de visuele voorstelling van de Olympische Spelen in de winter. Die horen niet thuis in oorden waar ook palmbomen groeien. Zoals in de Russische badplaats Sotsji, waar de Winterspelen van 2014 worden gehouden.

De Spelen moeten het niet van de natuur willen winnen. En dus al helemaal niet plaatshebben in vlakke landen als Nederland. Het idee van de manager van schaatser Sven Kramer, sportmarketeer Ron Mulder, om de Winterspelen hierheen te halen en in de Flevopolder een berg van duizend meter op te spuiten, is, voorzichtig gezegd, weinig realistisch.

Intussen heeft een erelid van het IOC, de Nederlander Verbruggen, de vraag opgeroepen of een Nederlandse stad zich nog wel kandidaat moet stellen voor de organisatie van de Zomerspelen. In een interview in deze krant zei hij dat kleine landen en steden bij de keuze van het IOC niet meer meetellen. Alleen metropolen maken eigenlijk nog een kans op de Zomerspelen, aldus Verbruggen, die op basis van zijn grote internationale ervaring recht van spreken heeft.

De initiatiefnemers van het ‘Olympisch Plan 2028’ doen er verstandig aan de woorden van Verbruggen ter harte te nemen. Dat betekent onder meer dat ze zo spoedig mogelijk helder moeten uitspreken dat alleen Amsterdam in aanmerking kan komen en vooral dat ze zich ervan vergewissen of de organisatie van de Olympische Spelen in Nederland politiek en maatschappelijk haalbaar is. Het lijkt heel wat dat kabinet, provincies, gemeenten, vakbeweging en bedrijfsleven zich achter het plan hebben gesteld. Maar zolang het bij verbale steun blijft, is dat van weinig betekenis.