Oorlogtaal in verkiezingstijd

In Almere rekenen stadscommando’s straks keihard af met straatterroristen.

Stel, u heeft enkele jaren in een ver buitenland gewoond, ergens waar geen Nederlandse kranten worden bezorgd en waar ze geen internetverbinding hebben. In het vliegtuig terug naar huis leest u in een krant de kop „Almeerse PVV wil stadscommando’s”.

Wat de PVV is weet u niet, maar het woord stadscommando lijkt zichzelf te verklaren. Commando’s zijn immers een soort supersoldaten. Veel woorden associëren we met beelden en bij commando zouden dat kunnen zijn: groene baretten, gewapende jonge jongens die over de grond tijgeren, het gezicht bedekt met modder en camouflageverf.

Snel leest u verder: de stadscommando’s moeten volgens de PVV worden ingezet tegen straatterroristen.

Mijn god! U bent te lang uit Nederland weggeweest. Even geen nieuws kan een verlossing zijn, maar in de tijd dat u weg was moet er in Nederland iets verschrikkelijks zijn gebeurd. U leest wat Raymond de Roon, lijsttrekker voor de PVV in Almere, erover zegt: „Net als in Den Haag zetten we in Almere in op veiligheid, minder islamisering en lastenverlichting. Mensen voelen zich onveilig en daar willen we iets aan doen. Wij willen stadscommando’s die niet alleen bemiddelend, maar ook handelend optreden. Hiervoor moeten ze bijvoorbeeld uitgerust worden met handboeien. Wij willen op straat geen stadswatjes, zoals wij stadswachten soms noemen.”

In de aanloop naar verkiezingen hebben politici de neiging zich extra scherp uit te drukken. Ze moeten zich immers onderscheiden van andere partijen. Dat levert niet alleen nieuwe woorden op – zoals stadscommando – het zorgt ook voor een hogere frequentie van woorden die al een tijdje meegaan, zoals straatterrorist en straatterrorisme. Lang waren dit woorden die je niet snel zou gebruiken, zoals het ook een tijd taboe was om in Nederland te spreken over witte en zwarte scholen – woorden die riekten naar Zuid-Afrikaanse apartheid.

Begin vorige week mocht Sietse Fritsma, lijsttrekker voor de PVV in Den Haag, bij Pauw & Witteman uitleggen wat hij onder straatterroristen verstond. Marokkaans tuig, daar kwam het zo’n beetje op neer. Jongens die zich schuldig maken aan overlast op straat, vandalisme en tasjesroof.

Zoals gezegd zijn straatterrorist en straatterrorisme niet echt nieuw. Zo vinden we straatterrorist al in 1966 – in berichten over provo’s en over Duitse jongeren die in Twente de boel overhoop haalden. Straatterreur is nog ouder. Dat vinden we vanaf 1934, en wel in de Algemeene beschouwingen over de Rijksbegrooting. Hierin wordt opgeroepen tot een „doeltreffender bestrijding van straatterreur”.

Wie waren toen de grote boosdoeners? Socialistische arbeiders, die vanwege de economische crisis op straat demonstreerden voor werk.

In de ogen van de PVV ging het vroeger, toen er in Nederland nog geen hoofddoekjes en boerka’s waren, een stuk beter met ons land. Maar dat gold toch niet voor 1934, want in diezelfde Algemene Beschouwingen lezen we: „Andere leden wezen op de toenemende zedenverwildering, zich uitende in onwelvoeglijke kleeding. Het stijgend aantal ernstige misdrijven, meer in het bijzonder roofmoorden, had niet minder de aandacht dezer leden getrokken. Dergelijke misdrijven behooren – zoo meenden zij – zeer streng te worden gestraft.”

Het zou zo uit het verkiezingsprogramma van de PVV kunnen komen.

Reacties naar sander@nrc.nl