Nee, niet nóg een instabiel kabinet!

De Nederlandse kabinetten zitten altijd vol spanning. Dat komt onder andere door de manier van kabinetsvorming.

Veel stabieler is een kabinet zonder regeerakkoord.

Vier kabinetten in minder dan acht jaar, tot de Kamerverkiezingen weinig regeerkracht, daarna opnieuw een lange kabinetsformatie – het schip van de staat is stuurloos op steeds hogere golven.

Nederland gaat lijken op de Vierde Franse republiek, die berucht was om haar instabiliteit. Charles de Gaulle maakte daaraan in 1958 een einde met de schepping van de Vijfde Republiek. Zijn creatie heeft het tot op heden uitgehouden en kenmerkt zich door een grotere mate van stabiliteit.

De Nederlandse politieke instabiliteit is niet uniek. Middelpuntvliedende krachten doen zich ook in andere landen voor. België is nog net niet uiteengevallen. De politieke stabiliteit in Frankrijk is geen weerspiegeling van het maatschappelijke krachtenveld. Jean-Paul Delavoye, de Franse ombudsman, maakt zich in de krant Le Monde zorgen over de voortgaande versplintering van de samenleving. Dat die versplintering slechts in beperkte mate in het parlement tot uitdrukking komt is meer te danken aan de grondwettelijke structuur dan aan het gedrag van de politici.

In Nederland is dat anders. Door de lage kiesdrempel, de evenredige vertegenwoordiging en de manier van kabinetsvorming met regeerakkoorden tussen politieke partijen wordt de maatschappelijke verscheidenheid met al haar spanningen rechtstreeks op regeringsniveau gereproduceerd.

Tal van factoren dragen bij tot politieke versplintering: toegenomen differentiatie, individualisering, de welvaart die botst met de schaarse ruimte, de ideologie van de economische groei die het verwachtingspatroon aanscherpt. De vraag is hoe ermee om te gaan.

Speelt politiek leiderschap een rol? Ongetwijfeld. Het is voor iedereen zichtbaar dat Balkenende er tot viermaal toe niet in is geslaagd om zijn kabinet bijeen te houden. Toch heeft het CDA hem meteen weer tot lijsttrekker benoemd. Een zwaktebod? Het is niet gezegd dat PvdA-leider Bos het beter zou doen. Hij heeft alleen als vicepremier onvoldoende gelegenheid gehad om zijn leiderschapskwaliteiten te tonen.

De politieke stabiliteit van een kabinet lijkt onevenredig te zijn aan het aantal partijleiders dat het kabinet telt. Het duidelijkste voorbeeld is het kabinet-Biesheuvel dat in 1971 aantrad en binnen twee jaar viel. Het telde de leiders van alle vijf deelnemende partijen.

Politieke partijen en hun leiders hebben, in eigen ogen, altijd gelijk. ‘Ongelijk’ is het ergste wat ze kan overkomen, want zij zijn permanent verwikkeld in een concurrentiestrijd met de andere partijen. De intensiteit daarvan is toegenomen door de continue aandacht voor hun doen en laten op radio, tv, internet en blogs, door het permanente opinie-onderzoek en niet in de laatste plaats door de snelheid van dit alles. Rust en bezinning zijn onmogelijk geworden.

Hoe ziet de situatie er na de Kamerverkiezingen van 9 juni uit? Waarschijnlijk zijn er vijf middelgrote partijen die voor kabinetsdeelneming in de markt zijn: CDA, PvdA, SP, VVD, PVV. Hoe een meerderheid te vormen? CDA-VVD-PVV? Dat lijkt het minst onwaarschijnlijk. Wilders premier? Of opnieuw Balkenende? Twee botsende karakters? En welke ministers zou Wilders in zijn kielzog willen meebrengen? Het eerste kabinet-Balkenende ging na drie maanden ten onder door onenigheid in een andere plotseling uit de kluiten gewassen nieuwe partij, Lijst Pim Fortuyn. Zeker, andere combinaties zijn denkbaar, maar waarschijnlijk ook ten koste van maandenlange kabinetsformaties en ingebouwde instabiliteit.

Na de fiasco’s van de afgelopen acht jaren is er veel voor te zeggen dat in de komende verkiezingscampagne niet het regeren, maar de regeerbaarheid van het land voorop komt te staan. Hoe?

Politiek: de nadruk kan worden gelegd op wat ons verenigt en niet op wat de partijen verdeelt.

En institutioneel. In een monarchie is een presidentieel stelsel onmogelijk. Een grotere politieke rol voor het erfelijke staatshoofd ligt niet voor de hand. De rechtstreeks gekozen minister-president is nooit geaccepteerd door een parlementaire meerderheid. De regel dat een kabinet het vertrouwen dient te genieten van het parlement is een gulden regel waaraan niet mag worden getornd. Dat betekent echter niet dat het kabinet de gevangene moet zijn van de deelnemende partijen en hun leiders. Een middenweg is mogelijk.

Als regeerbaarheid vooropstaat wordt onder de huidige omstandigheden allereerst gestreefd naar minder sterke banden tussen de politieke partijen en hun leiders enerzijds en het kabinet anderzijds. In andere woorden, geen regeerakkoord dat elkaar wantrouwende partijen dwingt om zich aan elkaar te binden, maar een zogenaamd extraparlementair kabinet, waaraan niet zo’n regeerakkoord ten grondslag ligt. Zo’n kabinet kan tot stand komen in betrekkelijk korte tijd, is minder partijgebonden, heeft dus een grotere mate van onafhankelijkheid en kan, onder leiding van een wijze premier, doen waaraan het land behoefte heeft: regeren. Als de fractievoorzitters na de verkiezingen daarvoor niet voelen kan de koningin, als zij dat wil, door middel van de formulering van haar opdracht de formatie desondanks in die richting proberen te sturen, en wel op goede gronden: de regeerbaarheid van het land.

J. van Putten was hoogleraar politicologie aan de Vrije Universiteit. Hij woont nu in Frankrijk.