Hollandse scènes met klompen, Bernhard en kaas

Theater Tuin van Holland door Toneelgroep De Appel. Regie: Aus Greidanus. Gezien: 28/2 Appeltheater, Scheveningen. Te zien t/m 22/5 aldaar. Inl.: www.toneelgroepdeappel.nl ***

„I think I found Holland.” Zo klinken de eerste en laatste woorden van de vijf uur durende, nieuwe theatermarathon van Toneelgroep De Appel. Een duiker daalt af in de diepte van de theaterzaal. Na Griekse omzwervingen met Tantalus en Odysseus brengt het gezelschap onder hoofdregie van Aus Greidanus met Tuin van Holland een ontluisterende, soms welbewust clichématige voorstelling over de Nederlandse identiteit. Regisseur Greidanus zelf als diepzeeduiker toont zich verrast dat hij op de zeebodem Nederlandse parafernalia vindt als kaas, een klomp, tulpen. Dat wonderbaarlijke Nederland bestaat nog altijd. Hij treft een oervorm van ons land aan.

Na de openingsscène, waarin archetypen als Willem van Oranje, Mata Hari, Prins Bernhard, Sjoukje Dijkstra en Anne Frank optreden, zwermt de voorstelling uit over alle zalen van het Appeltheater. Ontwerper Guus van Geffen toverde elke hoek om tot een theaterruimte, met als hoogtepunt het deel Barnevelt (1619) over de moord op de raadpensionaris. Op diepzwart water zweeft een withouten boudoir waar echtgenote Maria van Utrecht en haar dienster de fatale ontwikkelingen afwachten.

Naar de vorm is Tuin van Holland een ouderwetse jaarmarkt: het publiek loopt van zaal naar zaal, terwijl in de foyer Het kleine café aan de haven klinkt. Die vorm is lastig, want de toeschouwer krijgt geen afgerond, dramatisch verhaal maar afzonderlijke scènes. Hierin verschilt de nieuwe marathon van de voorafgaande. Verschillende regisseurs en schrijvers nemen een deel van die uiteindelijk ongrijpbare Nederlandse identiteit voor hun rekening. Het gevaar schuilt erin dat deze zoektocht verdwijnt achter een les vaderlandse geschiedenis, met nadruk op ijkpunten uit het verre verleden zoals de Opstand (1572) en het Rampjaar (1672). De hedendaagse tijd met alle conflicten die juist de identiteit in de waagschaal stellen, zoals de opkomende islam en de vaak rigide positie waarin allochtonen verkeren, blijft buiten schot. Dat is jammer. Zeker in het theater moet identiteit niet verward worden met geschiedenisles. Ik mis een dragend personage met wie ik kan meeleven; fragmenten winnen het nu van hechte dramaturgie.

Als er een begrip is dat ‘onze’ persoonlijkheid bepaalt, is dat de handel. In het deel Onze koloniën propt een actrice op gewelddadige wijze negerzoenen in een doos. Die symboliseren de slaven die Nederland verhandelde in volgestouwde schepen. De spelers onder aanvoering van een diabolische Bob Schwarze tonen aan dat uitbuiting en gewin onze kenmerken zijn. Grimmig is ook Het rampjaar (1672) waarin de Gouden Eeuw ten grave wordt gedragen met de moord op de gebroeders De Witt. In dit hoofdstuk krijgt admiraal Tromp, gespeeld door een aalgladde Iwan Walhain, een verrassende rol toebedeeld als medeplichtige aan de lynchpartij. Het is de echo van deze hypocrisie die tot in de uithoeken van het theater doorklinkt: Nederlanders zijn onbetrouwbaar, ze heulen met de vijand om zich te verrijken of hun positie veilig te stellen.

Aan het slot toont Tuin van Holland in hun kleedkamer de spelers die de voorstelling spelen. De cirkel is rond. Maar het wrikt, het is geen louterende apotheose. Ons land als veilige ‘tuin’ voor vluchtelingen blijkt een illusie. Onder het mom van gastvrijheid plunderden onze voorouders de wereld van oost tot west. Katholieken stonden tegenover protestanten. Allemaal geschiedenis; de toeschouwer moet zelf parallellen met nu trekken. Ons Nederland is „een grote realityshow van roddel en sensatie”, zo luidt de strekking. Het is een cerebrale exercitie met een verstandelijke schok als gevolg, en geen emotionele.