Grande Bouffe zonder gerechten

Theater La Grande Bouffe door Toneelgroep Amsterdam en NTGent. Gezien 28/2 schouwburg Amsterdam. Tournee t/m 15/5. In: toneelgroepamsterdam.nl. ****

In het toneelstuk La Grande Bouffe wordt geen hap gegeten. Dat is gek want het gaat over vier heren die zichzelf dood eten in een villa. De chef-kok, gespeeld door Wim Opbrouck, beschrijft de heerlijkste gerechten, maar te zien krijgen we die niet. De heren buitelen rond tussen enorme hompen grauwroze nepvlees in plastic. Op de achtergrond zien we schilderijen van eten, lichamen, en etende dieren.

La Grande Bouffe, een samenwerking tussen Toneelgroep Amsterdam en NTGent, is een bewerking van de film van Marco Ferreri uit 1973. Regisseur Johan Simons wilde hetzelfde op een andere manier laten zien. Vandaar geen eten. En inderdaad, de vleesberg werkt ook. Dit is een vreemd stuk omdat er zo weinig in gebeurt: aankomst, eten, sterven. Simons geeft zijn geweldige acteurs dus de vrije hand om eindeloos tussen de hompen te dweilen, te giechelen en te neuken. Het podium als speeltuin.

Naast het weglaten van het eten, is zijn belangrijkste ingreep het uitvergroten van de vrouwenrollen. In de film zitten een onderwijzeres en een prostituee die langskomen. In de toneelversie zijn de dames, vertolt door de actrices Elsie de Brauw en Chris Nietvelt, ook de vertellers en de regisseurs. Zij sturen het drama. De Brauw, als de onderwijzeres, is de engel des doods die de heren niet alleen tot de laatste gang begeleidt, maar ze ook een laatste zetje geeft. Zij beleeft een soort sadistische opwinding aan het bacchanaal. Nietvelt, als de prostituee, vertolkt de tegenstem. Zij verdedigt het leven, Shakespeare aanhalend, als een waardevol bezit dat je niet achteloos mag wegwerpen.

IJzersterk aan de film is dat de heren geen motief krijgen om op zo’n decadente wijze zelfmoord te plegen. De film is ook niet te duiden als gericht tegen westerse decadentie, of voor de decadentie. Dit gaat werkelijk alleen over vier heren die zich dood eten, in al zijn kleurrijke grandeur, en in zijn grauwe smerigheid; Ferreri schuwt de spuitpoep niet. De getoonde schilderijen geven een aanwijzing: de heren beschouwen hun daad als een kunstwerk, als een extreme performance. Als een daad die nadrukkelijk buiten het denkbare, het dagelijkse staat.

Zo sterk als de film, of als de toneelversie van Theo van Gogh uit 2003, is deze Grande Bouffe niet, maar het is een goede toevoeging. Hoe koddig ook dit ranzig schouwspel, en hoe saai en leeg soms ook, uiteindelijk werkt het toch. De toeschouwer raakt vervuld van een bodemloos verdriet.