Geen Gorbatsjov bij Iraanse omwenteling

De intellectuelen in Iran die in opstand komen tegen het regime, hebben niet zoveel aan buitenlandse steun schrijft Tony Judt.

De revolutie zal niet gaan als in Oost-Europa.

In New York sprak Shervin Nekuee (hoofdredacteur van TehranReview) over de Groene Beweging en de crisis in Iran met de Britse historicus Tony Judt. Na hun gesprek schreef Judt de volgende brief aan Nekuee.

Beste Shervin,

Na ons gesprek was ik enigszins teneergeslagen, omdat ik steeds meer angst heb voor een westers compromis met het ‘minst islamitische’ deel van het autoritaire regime. Het is duidelijk dat, tegen de achtergrond van Obama’s dilemma’s in Afghanistan en Pakistan een verzoeningsgezind Iraans regime welkom moet zijn voor Washington. Ik neem aan dat deze boodschap in Teheran ook niet aan dovemansoren is gericht.

Er zijn veel precedenten. Oost-Europa is een voorbeeld. Daar bleef de oppositie tegen de communistische dictatuur op z’n minst tot 1968 loyaal aan de ideologische principes van het regime, waarbij dat regime vooral werd verweten de idealen te hebben verraden. Derhalve zaten zowel ‘de straat’ als de intelligentsia in de val van de wens om het communisme te laten ‘werken’.

Tussen 1968 en 1989 werd een alternatieve strategie ontwikkeld: in het besef dat ze niet mochten hopen het regime omver te kunnen werpen, begonnen ze over een ‘alsof’-strategie te filosoferen. Ze zouden zich opstellen alsof de positie van het regime serieus moest worden genomen. Op die manier zouden ze zich in ieder geval vrijer voelen; maar ze zouden ook de leugen aan het licht brengen, om zo de meerderheid van de bevolking te doen inzien dat dit niet langer zo kon doorgaan.

Het is belangrijk om te begrijpen dat dit niet heeft gewerkt. Intellectueel misschien wél – veel jonge mensen begonnen in deze termen te denken en te praten. Maar de communistische regimes hadden oneindig lang kunnen blijven teren op een dieet van buitenlandse leningen en Sovjet-tanks, en de weinige studenten en (toneel)schrijvers kunnen aanpakken die ‘de waarheid leefden’. Eind jaren tachtig was het grootste deel van de bevolking in Oost-Europa cynisch en gedepolitiseerd: men pretendeerde de taal en de filosofie van het regime te delen, maar negeerde die volkomen.

Wat dit alles uiteraard heeft veranderd, was Gorbatsjov: een externe factor die bij Iran niet echt aanwezig is. Wat relevant zou kunnen zijn, was de beslissing van Gorbatsjov om geen tanks in te zetten. Als hij zich anders had opgesteld, zou het communisme in Oost-Europa nog wat langer hebben kunnen overleven. Onderschat het risico van repressieve machtsuitoefening dus niet. Zelfs in het tijdperk van mobiele telefonie en internet is er niets wat buitenlandse machten kunnen doen om te helpen. Kijk naar Boedapest (1956), Praag (1968), Warschau (1981), Peking (1989) – bij al deze gelegenheden gaf Washington hardop uiting aan zijn ongemak… om vervolgens achterover te leunen. Ik ben bang dat het bij Iran net zo zal gaan.

Relevanter is Turkije, omdat de mengeling van stedelijke moderniteit, landelijke achterlijkheid en religieuze trouw een weerspiegeling vormt van de Iraanse geschiedenis. In Turkije ziet het leger zich als ‘hoeder’ van het gedachtengoed van Atatürk, tegen de tweeledige vijand van islamitische achterlijkheid en links democratisch activisme. In een half dozijn gevallen hebben kolonels de macht gegrepen om het Atatürk-model te ‘restaureren’. Door islamitische praktijken en internationalistische affiliaties als ‘anti-Turks’ te bestempelen, is het leger er in geslaagd de illusie te wekken dat het in het Turkse leven de nationale identiteit vertegenwoordigt. Dit is nu aan verandering onderhevig, omdat de Europese Unie een reeks seculiere en civiele eisen heeft gesteld als voorwaarde voor het EU-lidmaatschap, met als gevolg dat zowel de moslims als het leger zich door Europa afgewezen voelen en elders heenkijken.

Ik weet niet zeker wat dit voor Iran betekent. Het is duidelijk dat het gevoel van een gewonde nationale trots kan leiden tot een soort links-nationale islamitische democratie, die het Westen volledig verkeerd zou begrijpen en graag vervangen zou zien worden door ‘ons soort mensen’.

Washington heeft behoefte aan mensen die kunnen uitleggen wat voor een vergissing dit zou zijn. Het instinct is om altijd maar de traditionele strategie van tientallen jaren geleden te volgen, en louter de stijl en de retoriek aan de nieuwe omstandigheden aan te passen. Naarmate ik ouder ben geworden, heb ik meer sympathie gekregen voor de ‘geopolitieke’ theoretici uit mijn jeugd, die doorgaans betoogden dat als je goed wilt begrijpen wat grote wereldmachten gaan doen, je je het beste kunt afvragen 1) wat hun geografische uitgangspositie is; 2) wat hun belangen op de langere termijn zijn; en 3) wat zij de voorlaatste keer in soortgelijke omstandigheden hebben gedaan. Deze vragen zijn nog steeds zinvol.

Een laatste gedachte nog. Op termijn is Iran een natuurlijke bondgenoot en aantrekkelijke partner voor veel landen: Rusland, Israël (jawel! Israëliërs zijn totale cynici als het erop aankomt), Turkije (om soortgelijke redenen, maar ook omdat Ankara dezer dagen op zoek is naar middelgrote vrienden in Centraal-Azië) en ook de Verenigde Staten.

Wat tegen deze logica ingaat, is het eigen verlangen van de Iraniërs naar vrijheid en een constitutionele staat; en uiteraard de post-9/11-obsessie van het Westen met terreur, of die nu echt of ingebeeld is. Het zal niet moeilijk zijn voor mensen die daar belang bij hebben om de radicalere elementen op de Iraanse straat af te schilderen als potentiële terroristen.

Hieruit volgt dat de Iraanse opstandelingen zich niet alleen moeten afvragen wat juist en goed is, maar ook wat zou kunnen werken en hoe je daar het best terecht komt. Iedere revolutie die deze vragen negeert loopt het risico te worden gemarginaliseerd, zelfs binnen de gemeenschap van staten die haar idealen deelt.

Laten we blijven praten over de toekomst van je land.

Het allerbeste,

Tony

Deze brief verschijnt ook op e-zine TehranReview.net, dat vandaag live gaat