En dat doet hij nou altijd

De afgelopen tijd zat ik in een rollercoaster van emoties. Een lach, een traan, een lach, een traan, en nog meer lachen en tranen. Zoveel emoties had ik nog nooit gevoeld.

Dat kwam natuurlijk door de Olympische Spelen.

Het lachen kwam door een Japanner die schaatsdanste als Charlie Chaplin, door een Olympische skiester die net zo goed kon skiën als ikzelf, en door curling. Curling, zo beweerde de commentator, is heel groot in Noord-Amerika. Nu heb ik redelijk veel tijd in Noord-Amerika doorgebracht, maar nooit zag ik daar een vrouw gehurkt achter een strijkbout over een ijsbaan rollen, ‘Hurrrrh, hurrrrh!’ roepend, waarna zij de strijkbout losliet en een stel andere vrouwen als bezetenen met kleine bezempjes het ijs schoonveegden zodat de strijkbout verder kon glijden.

Het huilen kwam door Sven. Dat hoef ik niet uit te leggen. Alhoewel: mijn beste vriend vond het vreemd dat ik daarom had gehuild, of in ieder geval met een rood hoofd vol voornoemde emoties, met mijn knuisten voor mijn gezicht, half kotsend op de bank had gezeten. Want mijn beste vriend vond het gewoon ‘fantastische tv’.

Alle andere emoties voelde ik tijdens de nabeschouwingen van Mart Smeets. Regelmatig dacht ik: ik wil ook een programma met nabeschouwingen. Ik wil een programma met nabeschouwingen over Mart Smeets.

Over Mart Smeets’ manier van praten is al veel nabeschouwd, en ook over zijn truienkeuze, maar mijn programma zou daar niet over gaan. Mijn programma zou gaan over ‘Wat bezielt Mart Smeets?’ en ‘Wat drijft Mart Smeets? Eigenlijk?’

Mart Smeets is ertoe in staat om, als het Drama Kramer zich recht onder zijn neus afspeelt, luchtig en opgeruimd te zeggen: ‘Tja. Dat kan gebeuren.’ En om die relativering een paar honderd keer te herhalen. Maar wanneer een groepje Nederlandse schaatsers dat maar drie keer samen heeft getraind, verliest bij de ploegenachtervolging, roept Mart ineens dramatisch uit: ‘Ongelofelijk! On-ge-ló-fe-lijk! Ongelofelijk!’

En dat doet hij nou altijd. De man is een enigma.

Dus dan denk ik: wat drijft Mart? Is hij dronken? Heeft hij een jetlag? Of wil hij mij gewoon helemaal gek maken met zijn recalcitrante commentaren?

Dat zou ik graag in een studio met nog een paar andere tv-kijkers nabespreken.

Maar daar moet ik dus mee wachten tot de volgende Olympische Spelen. Want dan pas kan ik al die ergernis weer voelen. Die heerlijke ergernis die, moet ik toegeven, er voor mij fantastische tv van maakt.