De bus staat stil, maar de weg beweegt

Vooral het zuiden van Chili is getroffen door de aardbeving van zaterdag. Verslag van een busreis naar de hoofdstad Santiago langs verwoeste wegen.

Bij de eerste schokken om half vier ’s nachts lijkt het nog alsof de bus op een hobbelige weg rijdt. Dan schrikken alle slapende passagiers wakker. De bus rijdt niet, maar blijkt in het donker al minutenlang hevig wankelend langs de weg te staan. De weg zelf golft tot een halve meter omhoog.

Op weg van Pucón, een vakantiebestemming die 800 kilometer zuidelijker ligt dan de eindbestemming Santiago, blijkt de bus gestrand in de buurt van Chillán. Deze plaats ligt slechts 100 kilometer ten westen van de grote stad Concepción, die zwaar wordt getroffen bij de aardbeving van zaterdagochtend vroeg.

„We zitten hier nog wel even. Alle bruggen om ons heen zijn ingestort, we kunnen geen kant op”, zegt de buschauffeur. „Esta cagado”, vloekt hij in het Spaans. Ofwel: het is goed mis.

Stilletjes luisteren de passagiers naar de laatste berichten op de radio. Mensen uit het hele land doen hun verhaal. Als de zon opkomt, is pas echt zien hoe de aardbeving heeft huisgehouden.

In Chillán zijn tientallen huizen ingestort. Een half opengereten appartement lijkt wel een poppenhuis. Bewoners zitten verslagen in een auto voor de deur.

Het mobiele netwerk ligt plat. Bij telefooncellen vormen zich lange rijen. Een winkelier opent haar zaak zodat men met haar telefoon kan bellen. Verslagen zit ze op een krukje, kijkend naar de gestrande busreizigers en dakloze families op straat.

Een gigantische meelfabriek is ingestort. In pick-up trucks en met lege zakken stromen mensen naar de berg meel die voor het grijpen ligt.

De stad is een onbereikbaar eiland zonder stromend water of elektriciteit. De busreizigers slapen wat op het gras, slaan drinken in en blijven met hun mobieltjes vergeefs proberen familie en vrienden te bereiken.

Er komt een bus voorbij. De chauffeur roept dat hij naar het noorden gaat. Hij zegt een omweg zonder bezweken bruggen te kennen. De groep reizigers stapt direct in. Honderden anderen willen mee, weg uit de stad.

Later meldt de Chileense staatstelevisie dat in er brand is uitgebroken in de gevangenis van Chillán. Ruim tweehonderd gedetineerden zijn ontsnapt.

Het uitzicht tijdens de busreis naar het noorden is verontrustend. De weg is op veel plekken opengespleten of geheel ingevallen. Huizen langs de wegen zijn totaal verwoest.

Mensen baden in de rivier bij gebrek aan water. Een jongetje met een kruiwagen vol water loopt af en aan, zijn vrienden dragen emmers. Trosjes mensen verzamelen zich om schaarse radio’s.

De bus gaat niet verder dan Rancagua, zo’n negentig kilometer van het centraal gelegen Santiago. Er zit niets anders op dan in het busstation te overnachten, op een koude en vochtige tegelvloer.

Bij zonsopgang lukt het een lift te krijgen naar Santiago. In vergelijking met het zuiden, lijkt de schade in de hoofdstad op het eerste gezicht minder groot. Een museum, een kerk en een parkeergarage zijn ingestort, is tijdens een wandeling te zien. Vele andere grote gebouwen lijken stevig overeind te staan.

Chaos is er wel. Uit angst voor naschokken slapen mensen in dekens op straat. Anderen sprokkelen eten en drinken bijeen, als het even kan zonder te betalen. Een plunderaar loopt voorbij met een magnetron in zijn armen. „Waarom steel je een magnetron als er geen elektriciteit is?”, vraagt een journaliste. „Tenemos que sobrevivir!” roept hij verwilderd terug: we moeten overleven!