De Nederlander is geschapen

Eveline Koolhaas-Grosfeld – De ontdekking van de Nederlander in boeken en prenten rond 1800 – Zutphen, Walburg Pers, 399 blz. Universiteit van Amsterdam, 27 januari 2010. Promotor Prof.dr. N.C.F. van Sas

‘Het Vaderlandsch Gevoel’ was de titel van een bijzondere tentoonstelling in het Rijksmuseum in 1978. In veel gevallen letterlijk uit het stof gehaald waren daar negentiende-eeuwse historieschilderijen die op vaak heel groot formaat belangrijke momenten uit de vaderlandse geschiedenis lieten zien. Het zijn de voorlopers van de schoolplaten van Isings bijna honderd jaar later. Hoe kunstig ook uitgevoerd, de artistieke waarde was voor de maker toch minder belangrijk dan het educatieve doel. Het ging om de opvoeding van de leerling tot een echte Nederlander, trots op zijn nationale geschiedenis en op de eeuwen van strijd die nodig waren om een vrij en onafhankelijk land te worden.

De historieschilders wilden hetzelfde doel bereiken bij de burgers van de negentiende eeuw, die nog leefden in een land dat pas recentelijk tot een nationale staat was omgevormd. Voor de regering van de nieuwe nationale staat met nu ook een echt koningshuis was het van het grootste belang dat de burgers zich ook gingen identificeren met de nieuwe staat. Dat is ook heel goed gelukt, want nog altijd zien wij de geschiedenis van de lage landen toch bijna als vanzelfsprekend als de geschiedenis van het land binnen zijn huidige grenzen. De Batavieren woonden al in ‘Nederland’ en hun door Tacitus beschreven uiterlijke verschijning en karaktertrekken worden door de huidige Nederlanders nog steeds en graag als typisch voor de eigen stam gezien. Groot, blond, blauwe ogen, voor de duivel niet bang en niet geschikt voor onderdanigheid.

Het proefschrift van Eveline Koolhaas toont aan dat men het ‘vaderlandsch gevoel’ , oorspronkelijk de naam van een groot gedicht dat door Hendrik Meijer in 1818 werd voorgedragen, geïnspireerd door ‘schilderijen van nog in leven zijnde Nederlandsche meesters’, al voor de negentiende eeuw probeerde te bevorderen. Nederland als eenheidsstaat bestond nog niet, het land was een losse vereniging van provincies en steden, maar er ontstond kennelijk toch al een gevoel van of minstens een behoefte aan een eigen nationale identiteit. Een beetje verrassend is dat toch wel, omdat in het algemeen de staatsvorming en de komst van een nationale regering als voorafgaand aan de vorming van een nationale identiteit wordt gezien. Dat proces is trouwens ook nu nog niet helemaal afgerond. Friezen en Limburgers hechten vaak een grotere betekenis aan hun regionale identiteit en wie uit Volendam komt of op Urk geboren is, is meer dan gewoon trots op zijn herkomst. We worden nog steeds ‘Nederlandser’ en het integratiedebat laat zien hoe onzeker we daar nog in zijn. Prinses Máxima heeft slapeloze nachten gehad van haar simpele constatering dat ‘de’ Nederlander niet bestaat. Het hielp niet dat ze er aan toevoegde dat er ook niet zoiets is als ‘de’ Argentijn. Voor ‘de’ Nederlander is dat geen vergelijking.

In de jaren na 1760 verschijnen er geschriften die op indringende wijze aandacht vragen voor de verzwakking van de Republiek niet alleen op het toneel van de internationale politiek, maar ook als economische macht. De oorzaak daarvan ligt in de mode, die de import van Franse kleren en Engelse stoffen bevordert en de traditionele Nederlandse stoffenfabrikanten het nakijken geeft. Het klinkt meteen zowel typisch Nederlands als erg vertrouwd. ‘Koop Nederlandse waar, dan helpen wij elkaar’. De tanende invloed van Nederland in de wereld en de groeiende invloed van andere landen en economieën op Nederland leidde tot een beweging die de waarde van het eigene en het ons van anderen onderscheidende benadrukte. Alleen vanuit dat besef kan een klein land als Nederland economisch, sociaal en cultureel overleven. We moeten terug naar wat ons in het verleden – te beginnen bij de Batavieren, die nooit door de Romeinen overwonnen werden – zo sterk heeft gemaakt. De eigen aard, het volkskarakter zou men later zeggen, moet in ere worden gehouden en de eigen producten de waardering krijgen die hun toekomt. Tenminste als ze ook weer de kwaliteit hebben die ze vroeger hadden. De handen uit de mouwen, iedereen aan de slag in nijverheid en handel, zodat de welvaart van de ‘vorigen gelukstaat’ (de zeventiende eeuw) weer terugkeert.

Bijzonder aan dit opkomende nationalisme is niet alleen de economische inkleuring, maar ook de visie op een eenheid in verscheidenheid. Men is er zelfs trots op dat in een klein en dichtbevolkt land als Nederland zoveel lokale en regionale verschillen bestaan. Er is een sterke gemeenschappelijke grondslag, maar in de loop van de tijd hebben zich door invloeden van andere volkeren, maar ook van het klimaat, de bodemgesteldheid en het soort werk ook heel veel verschillen kunnen ontwikkelen. Voor het eerst worden die ook tot in detail beschreven in wat in Nederland de eerste etnografische en demografische studies zijn. Zo beschrijft Berkheij in zijn Natuurlijke historie van Holland de gestalte en de kleding van de mannen en vrouwen van iedere tijd en ieder gewest in Holland.

De centrale figuur in de studie van Eveline Koolhaas is de Amsterdamse drukker en prenthandelaar Evert Maaskamp, gevestigd op de hoek van de Dam en de Kalverstraat. Een fascinerende figuur, die de prentkunst in Nederland tot een internationaal concurrerend niveau wist te verheffen en er in slaagde van Lodewijk Napoleon voor zijn bedrijf het predikaat ‘koninklijk’ te verwerven. Toen de koning, korte tijd zijn overbuurman in Amsterdam, het veld moest ruimen, had hij wel meteen spotprenten op diens persoon in de aanbieding. Uiteindelijk kwam hij daar toch niet mee weg en werden zijn pogingen bij de koning in het gevlij te komen hem vele jaren later alsnog zeer kwalijk genomen.

Zijn reputatie en betekenis dankt Maaskamp aan zijn in 1803 begonnen lange reeks Afbeeldingen van de kleeding, zeden en gewoonten in de Bataafsche Republiek, in de woorden van Eveline Koolhaas, ‘de nationalisering van de etnische verscheidenheid, of anders gezegd, de etnisering van de natie’. Klederdrachten als kenmerkende uiting van de nationale identiteit, maar het verschil tussen de klederdrachten weer als teken van verscheidenheid.

Wat Maaskamp liet zien was het begin van waar nu nog toeristen voor naar Marken en Volendam trekken en wat in de volledig verzonnen klederdracht van de volledig verzonnen ‘Frau Antje’ nog steeds als typisch Nederlands geldt. Het is heel verrassend te zien hoeveel van wat ook nu nog als nationaal erfgoed beschouwd wordt twee eeuwen geleden al als ontdekking werd gepresenteerd. Er nu op terugkijkend blijkt het toch meer de schepping van de Nederlander geweest te zijn.