Misbruik jezuïeten al in 1964 gemeld

De leiding van de orde der jezuïeten wist al in 1964 dat op Duitse jezuïetenscholen leerlingen seksueel werden misbruikt door paters. Dat heeft gisteren advocaat Ursula Raue onthuld, de onafhankelijke tussenpersoon in de geruchtmakende misbruikaffaire op een Berlijns gymnasium.

Volgens Raue heeft de orde al die jaren gezwegen uit vrees dat de reputatie zou worden aangetast. „Wat me verbaast, is dat uit de dossiers blijkt dat het steeds uitsluitend om de paters gaat, en niet om de slachtoffers”, aldus Raue gisteren op een persconferentie in een Berlijns theater. Ze is door de jezuïeten aangesteld als gevolmachtigde en treedt op namens de slachtoffers in de zaak van seksueel misbruik op het Berlijnse Canisius College, een gymnasium dat door de rooms-katholieke paters wordt geleid.

Enkele weken geleden werd bekend dat op deze school twee paters-jezuïeten in de jaren zeventig en tachtig een groot aantal leerlingen jarenlang stelselmatig hebben misbruikt. Een van hen heeft dat inmiddels toegegeven; de ander ontkent. Beiden hebben jaren geleden zowel de school als de orde verlaten. Meer dan honderd slachtoffers hebben zich intussen bij Ursula Raue gemeld. Hoewel de daden zijn verjaard, eisen enkele oud-leerlingen schadevergoedingen van de jezuïeten.

Door het ontwijkende gedrag van de leiding van de jezuïetenorde konden de paters jarenlang hun gang gaan. Ze werden weliswaar in therapie gestuurd en wisselden van school, maar dat had volgens Raue slechts tot effect dat ze hun driften elders uitleefden.

Pater-leraar Peter R., die jaren aan het Canisius doceerde, eiste van jongens in de leeftijd van dertien tot vijftien jaar dat ze zich in zijn bijzijn in de kelder van het Berlijnse gymnasium bevredigden.

Raue zegt aanwijzingen te hebben dat de toenmalige schoolleiding over deze praktijken reeds in het midden van de jaren zeventig is geïnformeerd, „door verschillende bronnen”.