Een pet van vlees

Jim Judith Eiselin en Monique Bauman
Jim Judith Eiselin en Monique Bauman

Judith Eiselin en Monique Bauman: Jim. Querido, 164 blz, € 13, 95. 10+

Ieder kind wenst zijn ouders wel eens weg, of in elk geval compleet anders, overvallen door woede, ergernis of meedogenloze schaamte. Zo ook Kiki, de 11-jarige hoofdpersoon in Jim van Judith Eiselin, die in een semipermanente staat van woede verkeert: ‘Waarom moest ik altijd voor gek lopen met mijn familie?’ bedenkt ze als ze na een dag vol ruzie en incidenten ver achter haar ouders op straat loopt. ‘Ik keek naar mijn vader. Op zijn achterhoofd zat een kaal rondje, als een petje van vlees tussen zijn bruine krulhaar.’ Ze verlangt naar andere ouders. ‘Misschien… misschien had ik heel ándere familie, ergens ver weg. Misschien had ik ergens een vader en een moeder die hun dochter verschrikkelijk misten. [...] Ze vonden het goed voor me als ik opgroeide bij deze mensen. Bij gewone mensen. Nou ja, gewoon… aan Jelmer was weinig gewoon.’

Bij Kiki is dat echter geen wanhoopsoprisping na een ruzie. Ze denkt het vaak. Jelmer, haar broer, is het kruis van haar bestaan. Hij heeft gedragsproblemen, maakt vaak dingen stuk, heeft driftbuien en loopt weg. Zijn vader en moeder zijn de godganse dag bezig met bezweren en kalmeren, wat funeste schade aan hun relatie aanricht. Het gezinsleven wordt om Jelmer heen georganiseerd; Kiki mag niet meer paardrijden, want Jelmer verveelt zich op de manege. Winkelen? Ook niet meer, nadat hij een keer is weggelopen. ‘Wij waren’, schrijft Kiki, ‘een broer en zus van niets. Zoals papa en mama een echtpaar van niets waren. Niemand paste bij elkaar in deze familie.’

Eiselins stijl is puntig, mooi en inlevend en haar karakters zijn levensecht. Zij kroop in de huid van een ongelukkige 11-jarige en brengt goed over wat zij aantrof, terwijl het gedrag van Jelmer in al zijn onverdraaglijkheid evenzeer overtuigt. De foto- illustraties van Monique Bauman, die door het hele boek staan – van kaartjes, kaarten, briefjes en aanwijzingen – zijn als steunpilaren zodat het verhaal nog meer tot leven komt.

Dat verhaal draait om de zoektocht naar Jim, de lieve, leuke broer die Kiki denkt (hoopt) te hebben. Een mengeling van wensdenken en goed verstopte aanwijzingen zet haar daartoe aan. Hij bestaat, denkt zij, omdat hij overal tekens achterlaat, vooral op het eiland Sark, waar het gezin op vakantie gaat. Eiselin verweeft de spanning van het vinden van die tekens soepel en overtuigend met de lol die Kiki beleeft aan het eiland en bovenal aan het genot en de troost van paardrijden; aaiend in een paardenoor bedenkt ze dat dat net voelt als ‘een met wol gevoerd portemonneetje’.

De uitkomst van de queeste? Laten we zeggen dat Kiki niet de enige is die schreeuwt om aandacht. En dat ze erachter komt dat er meer in Jelmer schuilt dan een rotbroer. Zoveel meer zelfs dat zij hem mist nu hij, na de voorlopige scheiding van hun moegestreden ouders, bij zijn vader woont. ‘Niemand doet iets geks, iets onverwachts. Alles blijft heel, niets gaat er stuk. Behalve dan ons gezin.’