Bakkerij Halil

„Dit voelt als thuis...” Kemal tegen Driss op Beverwijkse Bazaar. Foto Bert Verhoeff
„Dit voelt als thuis...” Kemal tegen Driss op Beverwijkse Bazaar. Foto Bert Verhoeff

Op de meest onwaarschijnlijke plek van Nederland ontstond in 1980 een klein-Marokko en een klein-Turkije. Dat was in Beverwijk. In een groot, oud veilinggebouw sloegen elke zaterdag honderden marktkooplui, van wie een groot deel Marokkaans en Turks was, hun tenten op. Ze verkochten koriander, bosjes munt, komijn, dadels, blokken feta, pantalons van acryl en cassettebandjes met de laatste hits uit onze moederlanden.

De eerste keer dat Kemal, Mustapha en ik over de bazaar liepen, hadden we haast het gevoel dat we over de markt in onze dorpen liepen. Het enige wat ontbrak was levend vee, een muezzin die oproept tot het gebed en een hete zon hoog aan de hemel. Een nieuwe traditie werd geboren: op zaterdagochtend naar de Beverwijkse Bazaar.

„Dit voelt als thuis”, zei Kemal terwijl hij op een watermeloen sloeg. „Het enige wat ze niet hebben is een goeie kapper. Misschien moet ik die plek innemen. De technieken die ik van mijn vader heb geleerd, zullen veel guldens opleveren.”

Kemal was serieus van plan iets op de bazaar te beginnen. Maar het idee van een kapsalon liet hij al snel varen. Hülya wilde ook aan de slag, maar niet in een kapsalon. Het idee aan andermans haar te moeten zitten, vond ze walgelijk. De twee handelsgeesten kwamen tot een compromis: een bakkerij; Hülya omdat zij heerlijk brood kon bakken en Kemal omdat hij bij nader inzien niet veel vertrouwen had in de ouderwetse en pijnlijke kniptechnieken die hij van zijn vader had geleerd.

Kemal zette elke maand wat geld opzij. Begin 1982 kwam er een geschikte plek vrij op de bazaar. Kemal had nog niet genoeg geld, dus leende hij het resterende bedrag bij zijn schoonvader Yaçin. Mustapha en ik installeerden een oven, een vitrinekast voor de koekjes en planken voor de broden. Op de ochtend van de opening, terwijl Kemal en Hülya druk bezig waren met broodbakken, timmerden Mustapha en ik nog snel een toonbank in elkaar waarop de kassa zou komen te staan. Om half acht waren we klaar. Kemal veegde zijn bepoederde handen af aan zijn schort en zei: „Bakkerij Halil is klaar om open te gaan. Hülya, het rolluik kan omhoog.”

Er kwam een koude morgenlucht binnen die zich mengde met de geur van versgebakken brood. Kemal en Hülya stonden achter de toonbank klaar om hun eerste klanten te begroeten. Het was nog rustig. De enige bedrijvigheid op de marktvloer was voorlopig nog van de marktkooplui zelf die hun koopwaar uitstalden.

Het duurde niet lang voordat de eerste klant zich aandiende. Het was het zoontje van de groenteboer aan de overkant die om een koekje vroeg. Kemal was zo blij met zijn eerste klant dat hij het koekje gratis weggaf. „Op deze manier betaal je mijn vader nooit af”, mopperde Hülya.

In de loop van de ochtend groeiden Kemal en Hülya in hun rol als ondernemers. Hoe meer klanten ze kregen, hoe beter ze de kunst van het verkopen in de vingers kregen. Ze maakten met iedereen een praatje, zorgden dat de vitrinekast en planken gevuld bleven, maakten geen fouten bij het afrekenen en sloten elke geslaagde verkoop af met de woorden: „We hopen u volgende keer weer te zien bij Bakkerij Halil.”

Aan het begin van de avond, terwijl Hülya de kas telde, zei Kemal moe maar voldaan: „Hülya, als alle zaterdagen als deze zullen zijn, dan betaal ik je vader niet alleen af, maar dan kan hij zelfs geld van mij lenen.”

Driss Tafersiti