Eurolanden vrezen besmetting

De angst voor Griekse besmetting in de eurozone vindt zijn oorsprong in de laatste grote aanval van de financiële markten op de Europese eenheid: de valutacrisis van 1992.

Staat de euro op springen? Vandaag werd op de financiële markten uitgekeken naar de vergadering van de Europese ministers van Financiën, die een concrete uitweg moeten vinden voor het Griekse schuldenprobleem. Al weken wordt op de financiële markten gespeculeerd tegen euroland Griekenland. Besmetting dreigt: Portugal belooft, als de kwestie-Griekenland verkeerd wordt aangepakt, de eerstvolgende te worden. En daarna komt de grote klapper: Spanje.

De euro lijdt onder de financiële lotgevallen van de afzonderlijke lidstaten. Zo belandde de koers van de Europese munt tegenover de Amerikaanse dollar door alle ophef op zijn laagste peil sinds juni vorig jaar. Een drama is dat trouwens niet. De euro heeft wel eens lager gestaan. Kort na de introductie van de munt in 1999 op een koers van 1,17 dollar per euro begon de munt te dalen, en belandde zelfs even onder de pariteit met de dollar. De zwakte van de euro zal in veel Europese hoofdsteden met heimelijke instemming worden begroet. Europa kan best een lagere munt gebruiken.

Dat is het probleem dan ook niet. Maar er is meer aan de hand, en daarvoor moet worden teruggegaan naar 1992. Destijds waren de Europese munten gekoppeld in het Europees Monetair Stelsel (EMS). Daarin hadden zij vaste onderlinge ‘spilkoersen’, vastgestelde koersen tussen valuta. Een Duitse mark was bijvoorbeeld 1,1267 gulden. Van die spilkoersen mochten munten 2,25 procent naar boven en naar beneden afwijken. Voor zuidelijke munten was dat tweemaal 5 procent.

De waarde van een valuta is relatief. Hij hangt af van zaken als de relatieve ontwikkeling van inflatie, loonkosten, rente en een tekort of overschot op de betalingsbalans. Voorwaarde voor het intact blijven van het EMS was dat landen daarin onderling niet te veel uit de pas liepen: dan werden de onderlinge spilkoersen onhoudbaar. Kwam een munt toch onder druk, dan werd eerst de nationale rente verhoogd om hem aantrekkelijk te houden. Als dat niet hielp, moest de centrale bank steunaankopen van de eigen valuta plegen om de koers te handhaven. Als het echt niet langer kon, dan werd er gedevalueerd: de spilkoers werd dan een paar procent verlaagd. Dat mocht niet te vaak gebeuren, want anders verloor het stelsel van vaste wisselkoersen zijn betekenis.

In 1992 ging het mis. Het Britse pond liep niet meer in de pas en leek veel te duur ten opzichte van de andere munten. Op de financiële markten vermoedde men dat in Londen de wil ontbrak om de munt tot op het bot te verdedigen. Een grootscheepse aanval op de valutamarkt op de Britse munt volgde. Het pond bezweek en het Verenigd Koninkrijk stapte gedesillusioneerd uit het EMS. Speculant George Soros werd er schatrijk en wereldberoemd mee.

De angst voor besmetting waar de eurolanden op dit moment zo bang voor zijn, stamt uit die tijd. Ook de Italiaanse lire ging in 1992 onderuit. Niet lang daarna volgden de Spaanse peseta en de Portugese escudo. En de Franse franc kreeg een jaar later, in de zomer van 1993, een aanval te verduren. Daarop besloten de ministers van Financiën van de EU om de bandbreedte waarin munten mochten afwijken te vergroten tot 15 procent. Met zulke marges verloor het EMS zijn betekenis.

Het trauma van deze valutacrisis leidde uiteindelijk tot de euro: met een gemeenschappelijke munt zouden de EU-landen nooit meer uit elkaar kunnen worden gespeeld door speculanten. Dat leek een goed idee, maar de achterliggende reden van de valutacrisis bleef ook bij de euro intact: als landen uit de pas te lopen, ontstaat een probleem. Dat is nu te zien. In Griekenland, Portugal en Spanje zijn de loonkosten sinds de invoering van de euro zo opgelopen dat ze niet meer kunnen concurreren met het hart van de eurozone: het stevige, onaanraakbare Duitsland. De drie landen hebben wel geprofiteerd van de euro, maar hebben daar niet de prijs voor betaald: begrotingsdiscipline en aandacht voor de concurrentiepositie.

De eurolanden zijn onaangenaam verrast. Beleggers blijken ze toch tegen elkaar te kunnen uitspelen. Niet meer door de valuta’s uiteen te drijven, maar door op de staatsschuld van verschillende landen te mikken. Door de koersen van verhandelbare staatsobligaties uit elkaar te drijven, slaan zij een gat in het gemeenschappelijke front. Een land met een fors begrotingstekort, waarvan de koers van de staatsschuld daalt, ziet de rente op die schuld oplopen. Dat maakt het tekortprobleem alleen maar erger – waarna de speculatie verhevigt. En zoals dat gaat bij het pellen van een grapefruit: een beginnetje maken is lastig, maar als dat er eenmaal is wordt het steeds makkelijker. De angst is dat Griekenland het eerste schilletje is.

Wat er ook gaat gebeuren, de aspiraties om van de euro een wereldmunt te maken mogen even op sterk water, nu de belangrijkste breuklijn van het europroject zichtbaar wordt: het is moeilijk een gemeenschappelijke munt te voeren als elke lidstaat soeverein blijft bij het bepalen van zijn budgettaire en economische beleid. En zolang er iets los te peuteren valt, zal dat op de financiële markten worden geprobeerd. Voorstellen om de desbetreffende handelaren te onthoofden, zoals de Franse minister van Financiën Sapin tijdens de crisis in 1992 voorstelde, is kennelijk niet erg afschrikwekkend gebleken.