Jablonowski en De Cock raken elkaar

Tentoonstellingen David Jablonowski, Material Kontingenz. T/m 14/3 in Stedelijk Museum Bureau Amsterdam. Inl: smba.nlJan De Cock, Repromotion. T/m 6/3 in galerie Fons Welters, Amsterdam. Inl: fonswelters.nl ****

Zonder geschiedenis gaat het niet. Dat tonen op dit moment twee tentoonstellingen, van twee beeldhouwers – zijn ze trouwens beeldhouwer? Dat ze die vraag oproepen, is nog een overeenkomst. Vreemd is dat beider werk elkaar lijkt te versterken en te verhelderen. Opzet kan het niet geweest zijn, maar nu beide presentaties samenvallen, is het goed ze in samenhang te gaan zien.

Het gaat om David Jablonowski en Jan De Cock – nu eens niet toevallig allebei vertegenwoordigd door Galerie Fons Welters. De Duitser Jablonowski (Bochum, 1982) is de jongste en onbekendste van de twee. Hij maakt eerder constructies dan beelden; ze zijn ook minder begrensd dan beelden, en zeer aanwezig, monumentaal, als een onderdeel van de architectuur van de ruimte waarin ze staan.

Jablonowski werkte tot voor kort voornamelijk met gipsplaat dat hij stucte en beschilderde met vlekkerig zwart en grijstinten. Het resultaat zag eruit als verweerd zink of lood. Hout en roestig ijzer, verwerkt in bijvoorbeeld een voetstuk, riepen het beeld op van arte povera. Die indruk werd nog eens versterkt door zacht golvende, organische vormen: als rondingen in steen, door de natuur gegeven.

In Stedelijk Museum Bureau Amsterdam (SMBA) waar nu een solo van Jablonowski is te zien, blijkt het werk nog steeds monumentaal, meer dan ooit zelfs. Maar arte povera is niet meer de eerste associatie; je denkt nu aan een archeologische vindplaats waar met behulp van de laatste technologie direct herkomst en leeftijd kunnen worden vastgesteld. Waar zijn de witte jassen en de pincetten en kwastjes? Dit is opgraving en laboratorium in één.

Roestvrij staal of aluminimum heeft zijn intrede gedaan, net als beeldschermen, laptops, een scanner, fotografisch materiaal en, op het vlak van vorm, geometrie. Hier worden, zo te zeggen, tegelijkertijd antieke brokstukken van graven van farao’s, de kubussen van Donald Judd, de perspectieven van Jan Dibbets en de videokunst van Bill Viola geparafraseerd. En met elkaar in verband gebracht.

Er staan geen constructies of beelden in een ruimte: ze zijn die ruimte. Eén zijde wordt zelfs gedomineerd door een lange wand, weer bekleed met dat doorleefde stuc met pastelachtige vlekken. Is dat Jablonowski of SMBA?

Deze tentoonstelling, niet voor niets Material Kontingenz geheten (zoiets als: toevallig samenvallen van materialen) is basale materie én concept. Betekenis is niet het eerste waar je om maalt. Die is er wellicht in de verwijzingen naar ziggurats, obelisken, zuilen, naar de door Brancusi nagestreefde oneindigheid. Maar wat in het oog springt, wat je ondergaat, is in de eerste plaats vrijheid, van vorm, van combineren, van materiaal. Alles wordt klei, kneedbaar, inzetbaar. Tegelijkertijd is er juist de notie van het tegenovergestelde: het onaantastbare, de eeuwigheid.

Dat is wat Material Kontingenz spannend maakt: de traditie waarnaar Jablonowski, in weerwil van alle vrijheid, nadrukkelijk verwijst. Hij trekt een boog, tussen verleden en heden, tussen Antieken en iPhone. Daarmee wekt hij ook sympathie. Hij relativeert zichzelf en zijn werk: het is een radertje in de geschiedenis.

Wie na een bezoek aan SMBA doorloopt naar Galerie Fons Welters kan niet anders dan gefrappeerd worden door de overeenkomsten tussen het universum van Jablonowski en dat van de veel bekendere Belgische ‘beeldhouwer’ Jan De Cock. Hoe hemelsbreed verschillend van stijl ook, je treft er dezelfde hang naar traditie aan, zij het dat die in het geval van De Cock bestaat uit De Stijl en het formica van de jaren vijftig. En je ziet dezelfde, zo niet nog sterkere toe-eigening van de ruimte. De Cock bouwt met zijn gefineerde spaanplaat een stad, compleet met doorkijkjes, impasses, smalle steegjes, halfhoge muurtjes – het is bijna jammer dat de onderdelen van deze tentoonstelling (Repromotion geheten) afzonderlijk te koop zijn (en gretig aftrek vinden).

Jablonowski en De Cock laten beiden zien: we zijn schatplichtig, onderdeeltje, doorgeefluik. Maar die deemoed ten aanzien van de geschiedenis weerhoudt ze er niet van er iets unieks en eigens aan toe te voegen.