Niet gedaan én nooit meer doen

In de reactie van het kabinet op het rapport-Davids staat niet wat er lijkt te staan.

De taal wordt medeplichtig gemaakt aan de politieke overleving van de premier.

Ruben L. Oppenheimer
Ruben L. Oppenheimer Oppenheimer, Ruben L.

Een vrouw treft een lege melkfles aan in de ijskast. Haar man staat bij de keukentafel met een witte kring rond zijn mond en kijkt haar schuldbewust aan.

„Zet jij nou die lege fles terug in de ijskast?” zegt de vrouw.

Na een lange stilte zegt de man: „Ik zal nooit meer een lege melkfles terug in de ijskast zetten.”

„Juist”, zegt de vrouw, „dus jij hebt het gedaan”.

„Néé”, zegt de man, „maar ik zal het nooit meer doen”.

Die logica is de leidraad geweest voor de langverwachte brief van het kabinet over het rapport-Davids, die dinsdag dan eindelijk verscheen. Slechts op een enkel punt bekent het kabinet ronduit schuld, op de meeste punten stelt het kabinet zich op als de man met de melkfles in de keuken.

„Er had uitgebreider en meer geëxpliciteerd kunnen worden ingegaan” op wat nu eigenlijk massavernietigingswapens zijn. Gekúnd? Er had zo veel gekund. Wat ‘gemoeten’ had, daar gaat het om. Het kabinet „kan zich voorstellen dat” de Eerste en Tweede Kamer voortaan meer vertrouwelijke militaire informatie krijgen. Tja, het gaat dus niet om wat het kabinet zich allemaal kan voorstellen. Zegt het kabinet dit toe, belooft het kabinet dit, neemt het kabinet zich dit voor, dat is de vraag, die hier wordt ontdoken. Het kabinet „herbevestigt” de regel dat ambtelijke notities met afwijkende standpunten toch aan de politieke top moeten worden voorgelegd. Ook dat is een kunstig eufemisme voor ‘overtrad’.

Het kabinet geeft toe dat er geen volkenrechtelijk mandaat voor de interventie in Irak was, maar niet in die woorden. Nee, „met de kennis van nu aanvaardt het kabinet dat voor een dergelijk optreden een adequater volkenrechtelijk mandaat nodig zou zijn geweest”. Alsof we dankzij wetenschappelijke ontwikkelingen nu weten dat dat mandaat destijds niet deugde, maar zo is het natuurlijk niet. Er waren destijds meer dan genoeg mensen die dat mandaat in twijfel trokken, het kabinet heeft met ze gedebatteerd, en dat het desondanks doorzette was geen kwestie van kennis, maar van opvatting. De tegenstanders hebben alsnog gelijk gekregen: dat mandaat deugde inderdaad niet. Adequaat betekent afdoende, afdoender en afdoenst bestaan niet. Maar die vergrotende trap heeft het kabinet nodig: te stellen dat een ‘adequaat’ mandaat nodig zou zijn geweest, is toegegeven dat het inadequaat was. Nee, het was adequaat, maar had adequater gemoeten. Van het begrip mandaat (bevoegdheid) kun je je ook afvragen of daar gradaties in bestaan, je bent bevoegd tot iets of je bent het niet, lijkt mij. Hier wordt de Nederlandse taal dus op meerdere fronten tegelijk medeplichtig gemaakt aan de politieke overleving van premier Balkenende.

En wat te denken van de zinsnede over het informeren van de Kamers? Het kabinet geeft niet toe dat de Kamers indertijd bij de Patriot-missie naar Oost-Turkije onvoldoende geïnformeerd zijn, maar dat zij bij een missie zoals indertijd beter geïnformeerd zouden moeten worden. „Wij zijn níét door rood gereden” staat daar eigenlijk, „maar bij het volgende rode licht zullen we echt stoppen”. De lege fles staat in de ijskast, de witte kring staat rond zijn mond. Hij heeft het niet gedaan, maar hij zal het nooit meer doen.

En als er in Den Haag nu zo lang naar de juiste woorden voor deze brief gezocht is, hadden die „lessen voor de toekomst” en „ervaringen uit het verleden” dan niet ook nog even kunnen worden geschrapt? Lessen voor ’t verleden? Ervaringen uit de toekomst?

Jan Kuitenbrouwer is schrijver, journalist en directeur van de Taalkliniek.