Een illegaal als Helen redt het net niet

Illegalen bestaan formeel niet, al leven er duizenden in Nederland. Door een wetswijziging, vrezen burgemeesters, komen er nog meer – mensen zonder perspectief.

Helen, illegaal uit Ethiopië, in haar tijdelijke woonkamer waar ze rustig haar bevalling kan afwachten. Foto Dirk-Jan Visser Photo: Dirk-Jan Visser / Rotterdam - The Netherlands: 15-01-2010: Helen is een 36 jarige migrant uit Ethiopie. Inmiddels verblijft zij 8 jaar zonder status in Nederland, Daarvoor verbleef zij al 8 jaar in Duitsland. Helen is nu negen maanden zwanger.
Helen, illegaal uit Ethiopië, in haar tijdelijke woonkamer waar ze rustig haar bevalling kan afwachten. Foto Dirk-Jan Visser Photo: Dirk-Jan Visser / Rotterdam - The Netherlands: 15-01-2010: Helen is een 36 jarige migrant uit Ethiopie. Inmiddels verblijft zij 8 jaar zonder status in Nederland, Daarvoor verbleef zij al 8 jaar in Duitsland. Helen is nu negen maanden zwanger.

Ze is ruim acht maanden zwanger en woont in een flat die de gemeente haar gaf. Alles beter dan de portiek waar ze een maand geleden nog sliep. Ze is van Ethiopische afkomst, 36 jaar oud, al twintig jaar niet meer in haar geboorteland geweest. Sinds acht jaar is ze in Nederland. Dakloos. Maar belangrijker nog: illegaal.

Maak kennis met Helen. Helen leeft in Rotterdam. De stad waar ze af en toe kan profiteren van flarden hulp. Zoals een flat om te bevallen. Ze behoort tot de onderkant van de onderkant: de zwakste illegalen. In bijna alle steden wonen mensen zoals zij. Wie wil, ziet ze scharrelen aan de rand van de samenleving.

Ze behoren niet tot de grote groep illegalen die het op eigen houtje redt en dus onzichtbaar is. Helen redt het net niet.

Begin maart stemt de Tweede Kamer over een wijziging van de Vreemdelingenwet 2000, en daarmee over het lot van illegalen in Nederland. Een cruciaal nieuw element is artikel 16 j. Daarin staat dat als iemand ooit illegaal in Nederland verbleef, hij mogelijk geen recht meer heeft op een verblijfsvergunning.

Grote onrust onder de zwakste illegalen? Totaal niet. Het ontgaat hen.

Hulpverleners, wetenschappers en politici maken zich wel druk. Zij vrezen dat de meest kwetsbare illegalen getroffen worden; slachtoffers van huiselijk geweld en mensenhandel, die geen aangifte durven doen. Ex-asielzoekers die niet terug kunnen omdat het land van herkomst hen weigert. Kinderen zonder verblijfsvergunning. Het probleem van de illegalen wordt niet opgelost, vrezen ze. Integendeel: de groep mensen zonder perspectief zal groeien. Mensen zoals Helen.

En mensen zoals Favor. Dat hij op de bank zit in de huiskamer van het Rotterdams Ongedocumenteerden Steunpunt (ROS), in zijn zwartleren jack en op badslippers, is nog een geluk. Stemmen in zijn hoofd zeggen dat hij weg moet gaan, naar buiten, naar de brug. Wat hij daar moet doen, weet hij niet. Maar hij is bang. Door die stemmen raakt hij volkomen van slag.

Ook Favor is illegaal in Nederland. Als je niets zegt, zit hij ineengedoken op de bank. Als je tegen hem praat, schiet hij verschrikt overeind. Af en toe staat hij op en schreeuwt tegen de leegte achter ons, zijn armen maken afwerende gebaren. „Ga weg, ga weg.” Er is niets te zien. „Ze staan daar en lachen me uit”, verklaart hij.

Schattingen over aantallen illegalen in Nederland lopen uiteen van 45.000 tot 120.000. In Rotterdam zouden het er 15.000 tot 20.000 zijn. Niemand die het precies weet. Illegalen bestaan niet – officieel.

Het landelijk beleid is erop gericht illegaliteit te ontmoedigen. Maar de realiteit is weerbarstig. Daarom schreven de burgemeesters van de vier grote steden onlangs een brandbrief naar minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) waarin ze hun zorgen uiten over de wetswijziging. Mooi plan, maar als het verkeerd uitpakt, zitten zij met de ellende. Ook de burgemeesters vrezen méér illegalen. En vooral zichtbare illegalen, die niet voor zichzelf kunnen zorgen.

Theo Miltenburg van het ROS knikt naar Favor die langzaam heen en weer wiegt op de bank. „Hij kan niet overleven in de illegaliteit.”

Favor zegt dat hij is geboren in Soedan. De immigratie- en naturalisatiedienst IND gelooft dat niet. Volgens die dienst komt hij uit Sierra Leone. De IND twijfelt ook aan de psychiatrische toestand van Favor. Doet hij niet net alsof hij gestoord is? Hoopt hij zo een verblijfsvergunning te krijgen?

Theo Miltenburg weet dat hij lang niet altijd het ware verhaal hoort. Favor zou best uit Sierra Leone kunnen komen. Maar aan zijn ziekte twijfelt hij na enkele weken niet meer. „Dan zou hij een absurd goeie toneelspeler zijn.”

Helen wil zelf voor haar kind gaan zorgen. Ze zit op de enige stoel in de verder lege woonkamer en vertelt haar verhaal. Ze praat rustig en weloverwogen. In het Engels.

Ze was vijftien jaar toen haar moeder haar achterliet in een kindertehuis in Duitsland. Waarom, dat weet Helen niet. Wel weet ze dat haar moeder nooit langere tijd voor haar zorgde. Ze was te druk met haar werk.

In Duitsland was ze ook illegaal. Ze kwam binnen op een toeristenvisum. Dat leverde weinig problemen op. Zolang Helen vertelde dat ze was gebracht door een haar onbekend persoon en dat ze geen familie had, kon ze blijven. Ze kreeg een visum voor bepaalde tijd. Ze ging naar school, kreeg na haar achttiende een uitkering en had een Pools vriendje.

Pas eind jaren negentig ging het mis. De problemen in mijn hoofd begonnen na een miskraam, zegt Helen. Het werd steeds erger. Ze werd bang voor daglicht, bang voor andere mensen, bang voor de straat. Ze wilde weg. Haar komst naar Nederland in 2000 was een onvoorbereide vlucht, met een tas kleren.

Ze reisde van stad naar stad. Zwart, met de trein. Sittard, Heerlen, Maastricht, Eindhoven, Utrecht. Ze leerde overleven op straat. „In elke stad heb je plekken waar je terecht kan. In Maastricht ging ik naar een koffiehonk, overdag krijg je daar koffie en broodjes. In Rotterdam heb je de zusters van moeder Teresa. In Utrecht had je een bus waar je eten kon krijgen en dekens voor de nacht. Die dekens leverde je de volgende dag weer in. Volgens mij bestaat die bus niet meer, maar het was geweldig.”

Ze bedelde om aan geld te komen. „In Maastricht en Utrecht krijg je weinig, Rotterdammers zijn vrijgevig. Rond Kerst krijg je het meest. In de meeste steden kan je als dakloze wat verdienen door vuil te prikken, met zo’n prikstok. Maar daarvoor heb je een burgerservicenummer nodig. Dat heb ik niet.”

Ze sliep meestal op straat. „In een park, in een portiek. Alleen als het echt te koud was, ging ik naar de nachtopvang. Maar dan lig je op een stretcher tussen de alcohol- en drugsverslaafden. De stank! Het gesnurk en geschreeuw. Ik hield het daar nauwelijks uit.”

Talloze keren zat ze in de gevangenis. Talloze keren is geprobeerd haar uit te zetten naar Ethiopië. Het lukte niet. „Ethiopië geeft geen inreispapieren. Ik wil ook niet. Wat moet ik er doen? Ik heb twintig jaar niets van mijn moeder gehoord. Ik weet niet of ze ooit naar me heeft gezocht. Ik denk wel vaak aan haar.”

Soms na enkele dagen, soms na enkele weken, ging de gevangenispoort open en stond Helen weer op straat.

En haar angsten? Voor het eerst lacht ze zacht: „Ik was mijn eigen psychiater. Psychiaters zoeken met hun patiënten de confrontatie met de angst. Dat heb ik op televisie gezien. Heb je pleinvrees, dan ga je aan de hand van je psychiater naar een plein. Ik was bang voor licht en bang voor de straat. Maar ik kon het niet ontlopen. Ik moest er tegen vechten. En op een dag, ik was in Utrecht, was de angst weg.”

En toen was ze zwanger. Ze kwam er pas na drie maanden achter. Ze heeft geen idee wie de vader is. De zusters van moeder Teresa hadden haar altijd geholpen, ze wist dat ze haar zouden opvangen. Maar nu durfde ze er niet heen. „Ik was bang dat ze het kind zouden afnemen na de geboorte. Ik was vertwijfeld.”

Dit is het eerste deel van een tweeluik over illegalen in Nederland.